Mag het een beetje More zijn

2016 is een belangrijk jaar in de geschiedenis van de wereldliteratuur. Het is dit jaar 500 jaar geleden dat de Engelse humanist Thomas More zijn meesterwerk Utopia uitgaf. Voluit heet het boek De Optimo Rei publicae Statu deque Nova Insula Utopia. Antwerpen speelt een cruciale rol in dit boek en ook in de totstandkoming van het werk. Antwerpen was in 1516, in de Gouden Eeuw, immers hèt handels- en cultureel centrum van de wereld. Thomas More vertelt in het boek Utopia over zijn ontmoeting met de toenmalige stadssecretaris en magistraat van Antwerpen, Pieter Gillis, toen hij de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk (die toen nog geen kathedraal was) buitenkwam en die er in een gesprek gewikkeld was met een Portugese zeeman Raphaël Hythlodaeus. Die zeeman vertelt hen over zijn wereldreizen en over zijn bezoek aan het eiland Utopia. Het boek Utopia beschrijft de samenleving op het fictieve eiland Utopia en de politieke, sociale en religieuze gebruiken van de eilandbewoners. Het is geschreven in de vorm van een gesprek tussen Pieter Gillis, Raphael Hythlodaeus en Thomas More zelf. Raphael Hythlodaeus, een filosoof en wereldreiziger, geeft een beschrijving van zijn bezoek aan het eiland Utopia. Volgens Hythlodaeus is Utopia de beste samenleving ter wereld, omdat er geen privébezit bestaat. Hierdoor richt iedereen zich op publieke belangen, in plaats van eigenbelang. De naam van het eiland Utopia is afgeleid van de Griekse woorden ou (niet) en topos (plaats) en betekent dus zoiets als ‘Nergensland’. Ook de naam Raphael Hythlodaeus heeft een dubbele lading. De naam betekent ‘Boodschapper van de heer’ (Raphael) ‘verkoper van onzin’ (Hythlodaeus).

Fictie en realiteit worden in het boek enigszins door mekaar verweven. Utopia en de zeeman Raphael Hythlodaeus zijn verzonnen maar Pieter Gillis en de ontmoeting tussen More en Gillis zijn werkelijkheid. More verbleef in ons land als gezant van koning Hendrik VIII om er in Brugge te komen onderhandelen met de Vlaamse wolnijveraars. Hij verbleef in die periode ook in Leuven en in Mechelen. Hij was goed bevriend met Pieter Gillis en verbleef enkele dagen bij hem thuis aan de Kiekenmarkt (vandaag is dat de Eiermarkt) in Antwerpen. Pieter Gillis, die ook een humanist was, inspireerde More voor zijn boek Utopia. More stuurde de manuscripten zelfs naar Pieter Gillis op voor correctie en het was Pieter Gillis die voor de eerste druk zorgde bij de Aalsterse pionier van de boekdrukkunst Dirk Martens in diens drukkerij te Leuven. Pieter Gillis ontwierp ook het speciale utopia-alfabet dat in het boek gebruikt wordt. In Utopia brengt More een uitgebreide groet aan zijn Antwerpse vriend en hij geeft de volgende beschrijving van diens persoonlijkheid : “Hij is een geboren Antwerpenaar, die onder zijn medeburgers een groot vertrouwen geniet en een eervolle positie inneemt, terwijl hij zeker de meest eervolle verdient. Want of ik deze jongeman eerder om zijn geleerdheid dan om zijn karakter moet prijzen, weet ik niet. Hij is namelijk even rechtschapen als fijn beschaafd, daarbij oprecht van hart tegenover alle mensen, tegenover zijn vrienden echter zo hartelijk, liefhebbend, trouw en hun zo eerlijk toegedaan, dat het moeilijk valt ergens iemand anders te vinden die men zou menen in alle opzichten met hem als vriend te mogen vergelijken. Hij is van een zeldzame bescheidenheid, niemand houdt minder van ijdel vertoon, niemand is zo eenvoudig en verstandig“. De vertaling in het Nederlands of in het Neder Duytssche zoals dat toen genoemd werd gebeurde ook in Antwerpen bij uitgever Hans De Laet.

Nu zou je denken dat deze mijlpaal in de literaire geschiedenis met veel luister en trompetgeschal herdacht zou worden in de koekenstad. Niks is minder waar en dat vind ik jammer, een gemiste kans zelfs om Antwerpen cultureel even terug op de wereldkaart te zetten. Het lijkt zelfs dat alleen de academische wereld interesse heeft voor deze verjaardag. Zowel in de universiteit van Antwerpen als die van Leuven wordt er bijzondere aandacht geschonken aan deze 500e verjaardag maar daar houdt het dan ook op. In Leuven start in oktober een tentoonstelling in het M-Museum maar in Antwerpen is het zelfs wachten tot 2019 wanneer het Museum van Schone Kunsten zal gerenoveerd zijn, waar men dan een grote tentoonstelling over de Gouden Eeuw plant. Voor het overige moeten we het doen met een gedenksteen voor de kathedraal waarop in de vijf grootste wereldtalen -zijnde het Arabisch, het Chinees, het Engels, het Spaans en het Hindi- de tekst gegraveerd staat: “Hier ontmoette Thomas More in 1515 naar eigen zeggen de reiziger die hem vertelde over Utopia.” Breng wel een goede leesbril mee want alhoewel de steen maar enkele maanden oud is, is de tekst nog amper te lezen. Dat krijg je als je enkel de goedkoopste offerte weerhoudt. Is het misschien omdat het meesterwerk van Thomas More teveel doet denken aan een socialistische samenleving dat het huidige stadsbestuur hem letterlijk links laat liggen? Is de huidige Antwerpse CD&V-schepen van cultuur misschien al vergeten dat Thomas More als martelaar stierf omwille van zijn extreme trouw aan het katholieke geloof en later door de Paus heilig verklaard werd. De utopie is een vrije vorm van politieke filosofie.

Ik sluit af met een Antwerpse taalwiki. Wanneer een Sinjoor thuis blijft tijdens de grote zomervakantie en niet naar een of andere buitenlandse bestemming trekt dan zegt hij tegen zijn vrienden dat hij naar Nievrance of naar Saint-Corniche gaat, twee Antwerpse uitdrukkingen voor ‘Nergensland’. Ik heb nog geen enkele Sinjoor horen zeggen dat hij op vakantie naar Utopia gaat.



Antwerpse smaken … seminikoek

Boven de inkompoort van het Steen in Antwerpen staat een eeuwenoud beeld dat het begin van de lente een diepere betekenis heeft in de Koekenstad. In de lente wordt het feest van God Jumenas gevierd. De niet-Antwerpenaar kan je zich al horen afvragen: wie of wat is dat?

Het beeld heeft de schijnbare vorm van een mannetje met opgeheven handen en wijd gestrekte benen. Omwille van die houding zijn de Sinjoren hem door de eeuwen heen God Jumenas gaan noemen. In het Antwerpse dialect betekent het woord jumenas evenveel als gymnastiek, wat in de volksmond vervormde tot God-van-de-gymnastiek. Maar, de ware naam van het beeldje luidt Semini, waarin het woord ‘semen’ (Latijn voor zaad) verborgen ligt. Oorspronkelijk was het beeld ook voorzien van een zwaarwegende opgerichte fallus. Het beeld, Semini, dat uit de voorchristelijke traditie en tijd stamt, is een heidens vruchtbaarheidssymbool. Tot in de jaren twintig van de twintigste eeuw kwamen vrouwen onder het beeldje vruchtbaarheid afsmeken. Zo zie je maar hoe diep de heidense traditie in de volksziel verweven zat. Maar het is de Antwerpse, heidense vruchtbaarheidsgod niet goed vergaan: tijdens de contrareformatie, onder de Spanjaarden (Spaanse Furie), verloor de heidense God immers zijn edele delen. Om de Antwerpse trots en de saga in ere te herstellen, komen de Antwerpenaars weer elk jaar samen bij het beeldje om het te danken voor de vruchtbaarheid die de koekenstad van deze God mocht ontvangen. Aan de koppeltjes die op deze dag in het huwelijk treden, wordt  een seminikoek geschonken en werpt men (maan)zaad over de kersverse huwelijkspaartjes. Een traditie die vandaag nog steeds bestaat en levend wordt gehouden door de vzw AKSIE wat staat voor Antwerps Komite Semini In Ere. Deze seminikoek is een licht-zoete koek, bestrooid met sesamzaad en versierd met een dunne afbeelding van Semini in marsepein en brengt zo hulde aan de oudste burger van Antwerpen.

Tot zover de volksetymologie. Diepgaand wetenschappelijk onderzoek ondermijnen elke stelling die tot op de dag van vandaag over dit beeldje werd geponeerd. Het beeldje zou trouwens veel ouder zijn dan tot nu werd aangenomen en mogelijk al dateren uit de tijd dat de eerste Vikings hier strandden. Je hoeft geen Einstein te zijn om te kunnen vaststellen dat de steen met de afbeelding al veel ouder is dan de omliggende stenen van de burchtpoort. Onderzoek wees uit dat het beeldje al van de 3e eeuw zou dateren, terwijl de burchtpoort van de 16e eeuw dateert. Deze poort was een uitbreiding van het reeds bestaande Burchtsteen van de 14e eeuw. Er was dus blijkbaar een heel goede reden om dit oude beeldje, dat van de eerste nederzetting ten tijde van de Noormannen dateert, een plaats te geven in de gevel boven de burchtpoort niettegenstaande deze gevelsteen toen al veel erosie vertoonde. Wat zou dit veel anders kunnen zijn dan het eerste (?) stadswapen, dat er trouwens heel anders uitzag dan vandaag. Het lijkt zeer aanneembaar dat voor een gebouw als het Steen een stadswapen een bijzondere plaats zou krijgen boven de toegangspoort. Waterdichte bewijzen zijn hiervoor nog niet gevonden en de erosie is zo fel geëvolueerd dat het vandaag heel moeilijk is om nog te kunnen vaststellen wat het beeld juist voorstelde. Alle andere pistes zoals een heidense God Semini (waarvan trouwens geen enkel bewijs van bestaan werd gevonden), de Romeinse God Priapus met zijn grote fallus die altijd in het gelid staat (waarom zouden de Noormannen een Romeinse God heiligen?) of nog onwaarschijnlijker de God-van-de-gymnastiek (wie zou die uitgevonden hebben?) werden door de historici als legende of volksetymologie bestempeld. Het is trouwens pas sinds de 19e eeuw dat er enig bestaan van het woord God Semini of vernoemde aliassen werd gevonden en dat er sprake is van een God Semini-verheerlijking.

Antwerpen hangt aaneen van de sagen en legendes. De Romeinse soldaat Silvius Brabo en de reus Antigoon, kwelgeest van de dronkaards Lange Wapper, de voorhuid van Christus die Godfried van Bouillon (leider van de Eerste kruistocht, Heerser van Jeruzalem en Markgraaf van Antwerpen) aan de stad schonk en de Zwaanridder Lohengrin uit de gelijknamige opera van Richard Wagner, om er maar enkele te noemen. Vanuit deze optiek behoort de God Semini dan ook terecht tot het Antwerps erfgoed en als daar dan nog een lekker hapje bij hoort, waarom niet dan. Antwerpen is uiteindelijk toch de (semini)koekenstad nietwaar. Daarbij, ‘God Jumenas!‘ klinkt als vloek nog altijd minder grof dan … neen, ik ga het niet zeggen. Over de echtheid van deze typische Antwerpse vloek bestaat niet de minste twijfel.

Ik sluit af met een liedje dat de Antwerpse volkszangers Ed Kooyman en Herman Van Haeren speciaal voor de viering van de God Semini hebben geschreven. Dit lied wordt ook elk jaar aangeheven bij de God Semini-viering op de eerste zaterdag van de lente.


Het lied van semini – Ed Kooyman & Herman Van Haeren

Dans je de hele nacht met mij

Een halve eeuw geleden, op 13 augustus 1966, slaagde de Nederlandse zangeres Karin Kent erin om voor het eerst met een Nederlandstalig nummer naar de eerste plaats van de Veronica top-40 te klimmen. Ze deed dit met een onvervalste schlager: Dans je de hele nacht met mij. Het betrof eigenlijk een Nederlandse vertolking van het instrumentaal nummer Dance mama, dance papa, dance, een compositie van de vermaarde Amerikaanse componist en arrangeur Burt Bacharach. Niet de eerste de beste want die Bacharach was verantwoordelijk voor heel wat nummers die gezongen werden door o.a. Cilla Black, The Carpenters, Aretha Franklin, Dusty Springfield, Tom Jones en Dionne Warwick. Karin Kent bracht de Hollandse meezinger van Burt Bacharach voor het eerst enkele dagen daarvoor op een van de meest prestigieuze liedjesfestivals uit die tijd, de Knokke Cup, officieel de Europabeker voor zangvoordracht getiteld. De Europabeker van Knokke behoorde samen met het Eurovisiesongfestival en het Festival della canzone Italiana (Festival van het Italiaanse lied) van San Remo tot de drie grote liedjesfestivals van Europa in de sixties. Enkel die laatste twee bestaan nog, al is het festival van San Remo bij ons wel op de achtergrond verdwenen. Het Eurovisiesongfestival daarentegen neemt ondertussen mondiale vormen aan.

De Knokke Cup werd jaarlijks in de maand juli georganiseerd tussen 1959 en 1972. Er deden telkens zes landen mee, vanaf 1970 waren het er negen geworden. België was een vaste waarde naast Frankrijk, Nederland, Italië, Groot-Brittannië en Duitsland. België slaagde er maar één keer in het festival te winnen en dat was in 1968, ook de enige keer dat het met een volledig Vlaamse ploeg deelnam. Groot-Brittannië was de grootste slokop met vier overwinningen. De Knokke Cup genoot heel wat aanzien in de muziekwereld en was de springplank voor enkele muzikale grootheden. Udo Jürgens, Roy Black, Willeke Alberti, Liesbeth List, Martine Bijl, Alain Barrière, Jean Ferrat, Julio Iglesias, Dave Berry, Tony Christie, Roger Whittaker, Engelbert Humperdinck … ze zetten allemaal hun eerste stapjes van hun grootse carrière in het casino van Knokke, het Matuvu-walhalla van de Belgische kust. Een landenteam bestond toen uit vijf zangers en/of zangeressen en Karin Kent vormde in 1966 de Nederlandse ploeg met Martine Bijl, Margie Ball, Janneke Peper en Ronnie Tober. Ze raakten in de finale met Groot-Brittannië maar moesten vrede nemen met de tweede plaats. In het winnende team van 1966 zat wel niemand minder dan Engelbert Humperdinck die daarna zou uitgroeien tot een van de grootste Engelse crooners van de sixties. Onze Belgische ploeg was minder succesvol in 1966. Geef toe de namen Ariane en Alain zeggen u wellicht niet veel (meer), maar de drie anderen mogelijk wel. Jean Valleé, de Waalse zanger die in 1978 eervol tweede werd op het Eurovisiesongfestival en dit eigenlijk ook had moeten winnen. Rita Deneve, die eeuwige roem verwierf in 1971 met De allereerste keer, een nummer dat vandaag nog op tal van fuiven wordt meegebruld, en tenslotte nog een jong Vlaams talent, amper 16 jaar oud, die vooral Franse ballades zoals Ma première cigarette en Je n’ai plus mon papa ten berde bracht, Marino Falco. Zegt u niks? Wel die Marino Falco was de artiestennaam voor Marijn Devalck, die we vandaag vooral kennen als worstenfabrikant Balthasar Boma, PdG van de Boma Vleesindustrie, in de eeuwig herhaalde tv-reeks F.C. De Kampioenen.

Karin Kent - Dans je de hele nacht met mij
Karin Kent – Dans je de hele nacht met mij (klik op foto)

Karin Kent scoorde in 1966 een tophit met Dans je de hele nacht met mij, een fuifnummer dat later nog tweemaal de hitlijsten zou halen. In 1995 werd het de hitlijsten ingezongen door de Hollandse fuifbeesten De Sjonnies en in 2007 door onze Vlaamse schlagerkoningin Laura Lynn. Maar Karin Kent bleef een eendagsvlieg. Ze deed nog een poging in 1967 met De Bostella, maar dat nummer werd een tophit in de versie van het cabaret-duo John Kraaijkamp Sr. en Rijk De Gooyer. Daarna verdween Karin Kent volledig in de anonimiteit. Ze vertrok op wereldreis en keerde daarna nooit meer op het podium terug. Karin Kent is vandaag een nobele onbekende geworden maar haar schlagernummer is onsterfelijk.

Dans je de hele nacht met mij was ook het credo van het jaarlijkse Werelddansfestival van Edegem dat dit weekend voor het laatst wordt georganiseerd. Morgen valt het doek over een veertigjaar oude traditie in de grotgemeente. Met spijt in het hart neem ik, en met mij vele Edegemnaars, afscheid van deze traditie. Het zal insiders verwonderen dat iemand als ik, die nooit een voet op de dansvloer zet, bedroefd ben om het afscheid van een dansfestival. Begijntjes en kwezelkens dansen niet en ik ook niet. Omdat ik er het talent of de motoriek noch de rythmiek voor heb. Maar dat neemt niet weg dat ik heel veel bewondering heb voor het kunnen van de artiesten, voor de vele culturele tradities die hier tentoon gespreid werden en voor het sympathieke volkse karakter van dit festival. Spijtig dat de mensen die zich jaar en dag hebben ingezet voor deze organisatie geen opvolging hebben gevonden. Het is straks 15 augustus en dat betekent in de Onze-Lieve-Vrouwe-stad en ook hier op de parking waar de Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw de skyline bepaalt: Moederdag. Tijdens het Werelddansfestival dat telkens in augustus werd georganiseerd was er ook elk jaar met Moederdag een bijzondere misviering in de Basiliek van Edegem. Met daarbij ook optredens van alle internationale groepen die, over alle religieuze, culturele en taalgrenzen heen graag hun steentje bijdroegen aan de celebratie voor alle moeders. Al zegt mijn zin voor realisme anders, ik hoop dat het ‘voorlopig’ einde van het Werelddansfestival, zoals het formeel aangekondigd werd, geen definitief einde betekent. Aan alle Antwerpse mama’s, oma’s, bompies, moekes of hoe ge ze ook wil noemen: een zalige Moederdag gewenst en … dans maar de hele nacht (maar zoals je ondertussen wel weet: NIET met mij!).


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Werelddansfestival Edegem (foto’s: An Bruloot)

Participar é mais importante do que ganhar (°)

Het voetbalkampioenschap Euro 2016 zit erop en ook de winnaar van de 103e Tour de France is gekend, tijd voor het volgende grote sportevenement van 2016: de Olympische Spelen. Die gaan dit jaar door in de tot de verbeelding sprekende Braziliaanse stad Rio de Janeiro. Daarmee hebben de Spelen voor de eerste keer plaats in Zuid-Amerika. Het is dit jaar 120 jaar geleden dat de eerste ‘moderne’ Olympische Spelen in Athene op gang werden geschoten. De eerste nadat de antieke spelen in 393 door de Romeinse keizer Theodosius I werden verboden. Er werd dit jaar tijdens de Tour veel aandacht geschonken aan het feit dat het veertig jaar geleden was dat Lucien Van Impe als laatste Belg de Tour won. Nu is het aan mij om aandacht te schenken aan een wielrenner met Antwerpse roots die veertig jaar geleden furore maakte op de Olympische Spelen.

De Olympische Spelen van 1976 gingen door in het Canadese Montreal, de grootste stad van de -overwegend Franstalige- provincie Québec. Het waren niet erg succesvolle Spelen voor de Belgische delegatie al zal de naam Ivo Van Damme nog decennia later blijven nazinderen. Ivo was een beloftevolle atleet die twee zilveren medailles wegkaapte op die Spelen maar helaas zal zijn naam vooral blijven leven in de Memorial Van Damme, vandaag een van de grootste atletiekmeetings ter wereld. Ivo zelf liet in december 1976 het leven bij een auto-ongeluk in Frankrijk, hij werd amper 22. Goud zat er op die Spelen niet in voor Ivo en ook niet voor de rest van onze deelnemers. Maar naast Ivo was er nog een tweede Belgische sporter die een zilveren medaille wist te veroveren en die eer was weggelegd voor wielrenner Michel Vaarten. Hij veroverde zijn zilveren plak op de kilometer tijdrijden. Wist je trouwens dat de olympische kampioenen van 1896 en van 1900 een zilveren medaille kregen en de tweede een bronzen? De derde kreeg helemaal niks. Pas in 1904 werd de gouden medaille ingevoerd. Niettemin waren ook die eerste medaillewinnaars beter af dan hun voorgangers uit het antieke Olympia want die kregen enkel een lauwerkrans en heel veel roem want dat was heel belangrijk bij de oude Grieken.

Michel is afkomstig uit de (niet meer zo) stille Antwerpse Kempen. Hij werd geboren in Turnhout en startte er ook zijn wielercarrière bij een plaatselijke wielerclub en daarna bij de befaamde wielerploeg van IJsboerke. Zijn eerste groot succes was de zilveren medaille die hij behaalde op de Olympische Spelen van ’76 als amateur. In die periode waren de Spelen nog louter voorbehouden aan niet-betaalde sporters. Na de Tweede Wereldoorlog kende profsport een hele evolutie en die evolutie lag ver uiteen in Oost en West. Vooral in de communistische Oost-Europese landen bestond er een grote discrepantie tegenover het Westen. Daar waren de topsporters bijna overal in overheidsdienst tewerk gesteld maar hielden zich fulltime bezig met sporten, het was een verkapte vorm van een profstatuut en zelfs een ernstige vorm van competitievervalsing. In 1984 werd de Olympische reglementering inzake betaald sporten aangepast en vanaf dan konden ook alle groten uit de sportwereld meedingen naar een Olympische medaille. Dit bracht dan wel mee dat de slogan ‘Deelnemen is belangrijker dan winnen’ een eerder holle slogan werd.

De liefde deed Michel naar de Oost-Vlaamse gemeente Wetteren verhuizen. Hij trouwde met een dochter van Flandrien Achiel Buysse, een wielermonument in Wetteren. Achiel was de eerste renner die de Ronde van Vlaanderen drie keer op zijn naam schreef. Michel werd in 1979 profrenner en alhoewel hij ook een zeer verdienstelijk wegrenner was behaalde hij zijn grootste successen op de piste. Hij won als amateur verschillende nationale titels op de wielerbaan en in zijn eerste jaar als prof won hij de zesdaagse van Antwerpen. Michel trok in 1981 naar Japan en werd daar een autoriteit in een typische Japanse wielerdiscipline op de piste, Keirin.

Keirin (ケイリン) is Japans voor racende wielen. Het is eigenlijk een variant op wat bij ons baanwielrennen achter derny’s -ook gangmakers genoemd- wordt. Het belangrijkste verschil is dat in klassieke dernywedstrijden er voor elke renner een gemotoriseerde gangmaker wordt voorzien en dat bij Keirin er één gangmaker voor een reeks van maximaal negen -maar meestal vier tot zes- renners wordt voorzien. Michel ontpopte zich in Japan als een kampioen in het Keirin. Hij reed er twaalf jaar als profrenner op de piste wat uitzonderlijk lang is voor een buitenlander in die sportdiscipline daar. Geen enkele andere buitenlander deed beter tot op vandaag. Keirin is razend populair in Japan maar de Japanse renners rijden raar of zelden een wedstrijd buiten hun land. Michel behaalde tussen 1986 en 1990 een gouden, een zilveren en een bronzen medaille op het Wereldkampioenschap Keirin bij de Eliterenners. Tussendoor bleef hij ook succesvol op de baanwedstrijden en zesdaagsen in eigen land. Sinds 2000, op de Spelen van het Australische Sydney, is Keirin erkend als Olympische sportdiscipline.

In 1992 zette Michel een punt achter zijn loopbaan als wielrenner maar bleef actief in de wielersport. Hij nam nu zelf op de dernymotor plaats en was ook een decennium lang bondscoach van de pisterenners. Vandaag, bijna op zijn zestigste, is Michel nog steeds actief als gangmaker. Dernykoersen hebben een nieuw elan gevonden. Niet zozeer op de wielerpiste maar ze zijn vooral enorm in als lokaal criterium. Op vrijdag 2 september a.s. heeft in Edegem voor de zesde maal het dernycriterium ingericht door de Kon. Edegem Bicycle Club plaats. Het volledige programma kan je hier downloaden. Olympisch vice-kampioen 1976 Michel Vaarten tekent ook op dit criterium elk jaar present als gangmaker. Omdat voor een echte Olympiër deelnemen wèl belangrijker is dan winnen!



(°) Deelnemen is belangrijker dan winnen.

Emma! Emma!

Ik blijf nog even in 1966 hangen. Vandaag, 30 juli, is het vijftig jaar geleden dat Engeland de finale van de -in haar eigen land georganiseerde- Wereldbeker Voetbal speelde èn won. Het versloeg in de finale West-Duitsland met 4-2, na verlengingen. Het is de enige titel die de Three Lions tot op heden wisten te behalen. Het zou de meest bediscussieerde finale uit de geschiedenis van de FIFA Soccer World Cup worden. Na de reguliere speeltijd was het 2-2 en dus kwamen er verlengingen. In de 101e minuut schoot Geoff Hurst de bal tegen de onderkant van de Duitse deklat, de bal ketste naar beneden tegen de grond en botste terug het veld in. De scheidsrechter oordeelde, na overleg met de lijnrechter, dat de bal de doellijn had overschreden en kende de Engelsen een doelpunt toe. Grote consternatie in het Duitse kamp want volgens hen was de bal niet volledig over de doellijn gegaan en was er dus geen sprake van een geldig doelpunt. Discussie en verwarring alom maar de scheidsrechter, met een Wembley Stadium vol Engelse supporters in zijn nek, bleef bij zijn beslissing: geldig doelpunt en dus leidde Engeland met 3-2. De onthutste Duitsers waren uit hun lood geslagen en moesten in de allerlaatste minuut de kelk tot de bodem ledigen want toen maakte Geoff Hurst er 4-2 van. Bijna vijftig jaar lang bleef de voetbalwereld in twee kampen verdeeld: gans Engeland en met hen diegenen die de Engelsen gunstig gezind waren en geloofden dat het een geldig doelpunt was en gans Duitsland en diegenen die de Duitsers gunstig gezind waren en die beweerden dat het doelpunt onterecht werd goedgekeurd. In 2016 kwam het finaal bewijs nadat men de tv-beelden van weleer opnieuw met de gesofisticeerde doellijntechniek had bekeken en tot de conclusie kwam dat het doelpunt inderdaad terecht was toegekend. Discussie gesloten dus, al zullen er nog steeds believers en non-believers zijn.

Bij het West-Duitse elftal van 1966 speelde een aanvaller die enkele jaren later furore zou maken in de Belgische competitie en nog wel in Antwerpen bij mijn geliefde voetbalploeg Beerschot. Zijn naam: Lothar Emmerich. Het komt in de geschiedenis van de Belgische voetbalcompetitie nog maar tweemaal voor dat een club een speler in haar rangen telt die een finale van het Wereldkampioenschap voor zijn land speelde en het zijn allebei paars-witte teams. Bij R.S.C.A. Anderlecht speelde in de jaren 70 Rob Rensenbrink, die tweemaal de finale speelde met Nederland, resp. in 1974 en in 1978. Voor K. Beerschot V.A.V. was het Lothar Emmerich die de finale speelde met West-Duitsland in 1966. Pikant detail: geen van beiden kon een finale winnen en ze moesten dus allebei met een tweede plaats vrede nemen. Een echte wereldkampioen liep er dus nog niet rond op onze Belgische voetbalpleinen.

Lothar Emmerich was een rasechte Pruis. Hij werd geboren op 29 november 1941 in Dortsfeld, een deelgemeente van Dortmund, en doorliep de jeugdreeksen bij de lokale voetbalclub SC Dortsfeld. Op 18-jarige leeftijd werd hij daar weggehaald door de toenmalige trainer van Borussia Dortmund, Max Merkel (geen familie van de huidige bondskanselier) maar wel iemand die het wel kon ‘schaffen’. Lothar werd vanaf 1963 een vaste waarde in de eerste ploeg van Borussia (Borussia is de Latijnse naam van Pruisen). Hij scoorde tussen 1963 en 1969 liefst 115 doelpunten in 183 wedstrijden. Met een gemiddelde van 0,63 doelpunten per wedstrijd staat hij hiermee op de tweede plaats -qua efficiëntie- van de Duitse top-50 van topscorers sinds het ontstaan van de Bundesliga, net achter de legendarische ‘bomber’ van Bayern München, Gerd Müller. De huidige Poolse spits van Bayern München, Robert Lewandowski, die voorheen ook voor Borussia Dortmund speelde, volgt Lothar op de voet in dit klassement. Met Borussia Dortmund werd Emmerich in 1963 kampioen in de Bundesliga en won de DFB-Beker in 1965. In 1966 werden zij vice-kampioen en wonnen datzelfde jaar ook de Europabeker voor Bekerhouders na een boeiende finale tegen het Engelse F.C. Liverpool. De eerste Europese titel voor een Duitse club. Tijdens zijn periode bij Borussia Dortmund kreeg ‘torsturmer’ Lothar Emmerich een liefkozende roepnaam van de fans: ‘Emma’. Hij werd topschutter in Duitsland in 1966 en ook in 1967 maar toen moest hij deze titel delen met de reeds vernoemde Gerd Müller. In 1966 werd Emmerich door bondstrainer Helmut Schön opgeroepen voor deelname van Die Mannschaft aan de Wereldbeker. Hij speelde als aanvaller aan de zijde van zijn Borussia-teamgenoot Sigfried ‘Sigi’ Held. Lothar scoorde één keer op dit tornooi, hij maakte de gelijkmaker in de poulewedstrijd tegen Spanje die door de Mannschaft met 2-1 gewonnen werd. Slechts één doelpunt maar wat voor één. Vanuit een schier onmogelijke schuine hoek knalde hij het leder voorbij de Spaanse doelman, een doelpunt dat het etiket als een van de mooiste van het tornooi meekreeg.

In 1969 verkaste Lothar Emmerich voor drie seizoenen naar K. Beerschot V.A.V. Ook bij Beerschot deed hij zijn reputatie van goalgetter alle eer aan. In zijn eerste seizoen scoorde hij 29 doelpunten en werd daarmee topschutter van de Belgische competitie. In een competitie met zestien ploegen in eerste klasse betekent dit dat hij bijna in elke wedstrijd een doelpunt maakte, een efficiëntieratio van 0,96 dus. In 1971 won hij met Beerschot de Beker van België, de eerste voor de Mannekens van het Kiel. Ook bij Beerschot werd Lothar Emmerich door de supporters aangeroepen met zijn koosnaam ‘Emma’. In 1972 verliet hij Beerschot en trok naar de Oostenrijkse competitie. De scherpte bleek echter weggeëbd te zijn en na twee jaar keerde hij terug naar Duitsland waar hij nog tot 1978 bij voetbalclubs in lagere klasse speelde. Op het einde van het seizoen in 1978 zette hij een punt achter zijn spelerscarrière. Tussen 1981 en 1997 ging hij aan de slag als trainer bij voetbalclubs uit lagere klasse. Als trainer was hij niet erg succesvol. In 1999 liet hij het coachen voor wat het was en ging hij aan de slag bij zijn eerste liefde Borussia Dortmund als bestuurder van de club. De publiekslieveling van de Pruisische club hield er zich vooral bezig met de relaties met de supportersverenigingen. Rond de eeuwwisseling kreeg Lothar Emmerich te horen dat hij longkanker had. Door een journalist bevraagd over zijn gezondheidstoestand antwoordde hij: “Ich habe mich noch nie unterkriegen lassen und alle chancen wieder ganz gesund zu werden. Ihr kennt doch Emma – der war immer ein Kämpfer.“ Het was echter een duel dat hij niet kon winnen en ‘Emma’ overleed op 13 augustus 2003. In Dortmund, in zijn Westfalenstadion, werd hij het daaropvolgende weekend groots uitgewuifd met een indrukwekkende tifo: gele achtergrond met zwarte EMMA-letters, over de ganse lengte van de supporterstribune. Afscheid van een voetbalheld. In ons land werd zijn overlijden amper vermeld en erger nog, op Beerschot vond men het zelfs niet nodig om een minuut stilte in acht te nemen voor de man die nochtans een belangrijk aandeel had in de successen van de club in de vroege jaren 70. Ondank is ‘s werelds loon.

We zijn vandaag vijftig jaar na zijn grootste succesperiode. ‘Emma’ is mijn eerste voetbalidool, de voetbalheld die mij naar het Kiel deed afzakken. Mijn Pruisische roots zullen er wellicht niet vreemd aan zijn dat het uitgerekend een Duitse speler was die mijn voetbalhart in Antwerpen heeft veroverd. In Antwerpen is ‘Emma’ helaas vandaag bij velen een nobele onbekende maar in Dortmund blijft hij voortleven. De mascotte van Ballspiel-Verein Borussia Dortmund 09 -zoals de ploeg voluit heet- kreeg zelfs de roepnaam ‘Emma’, naar de grote Pruisische voetbalheld van weleer. Je kan Dortmund eigenlijk wel de voetbalhoofdstad van Duitsland noemen. In het centrum van de stad, vlak tegenover het Hauptbahnhof, op het Platz der Deutschen Einheit, vind je het Deutsches Fußballmuseum. Je kan er de rijke en succesvolle geschiedenis van het Duitse voetbal bewonderen en je kan er momenteel ook nog de echte Wereldbeker voetbal aanschouwen. Voorlopig althans want in 2018 verhuist de beker naar Rusland voor de komende World Cup. Wie de beker dan naar huis zal mogen nemen is nog een groot vraagteken maar reken er maar op dat de Mannschaft een geduchte kandidaat zal zijn.

Deutsches Fußballmuseum in Dortmund