Antwerpse smaken … tapas en paella

U zal wellicht de wenkbrauwen fronsen als ik tapas en paella bij Antwerpse smaken rangschik want zowel de kleinste pagadder als de grootste masjoefel van de Sinjorenstad weten dat dit traditionele Spaanse gerechten zijn (n.v.d.r.: zowel pagadder, masjoefel als Sinjoor zijn Antwerpse begrippen die uit de Spaanse periode stammen). Mijn titel is dus meer een blikvanger om u nu duidelijk te maken dat Spanje en Antwerpen veel dichter bij elkaar liggen dan we denken. De link met de Spaanse stad Valencia, de thuisstad van de paella en van de tomaten is niet ver weg. Twee Valenciaanse instellingen in Antwerpen sloten spijtig genoeg recent hun deuren. Het befaamde eetcafé Valencia aan de Oude Leeuwenrui, vlakbij het Schipperskwartier en ook de wereldberoemde Spaanse winkel in het eeuwenoude pand in de Zirkstraat, El Valenciano, sloten -allebei om verschillende redenen- voorgoed de deuren.

Antwerpen en Spanje dat is een standvastig huwelijk. Al hebben we niet perse de beste herinneringen aan deze Spaanse periode, vooral niet als we het over de Inquisitie en de Val van Antwerpen hebben. Toch zijn er redenen genoeg om deze periode als een mijlpaal in de geschiedenis van de stad en zelfs van gans Vlaanderen te beschouwen. Niet in het minst op culinair vlak. Als je vandaag over de markt in Antwerpen loopt en je hoort een marktkramer in zijn sappigst Antwerps zeggen: ‘Hier sè madammeke, è kilooke tomatjes en è zakske petatjes’, weet dan dat we dit alles te danken hebben aan de Spanjaarden. Zowel de groenten als het veelvuldig gebruik van verkleinwoorden die in het Antwerps dialect verweven zitten, vinden hun oorsprong op het Iberische schiereiland. Vóór de Columbiaanse uitwisseling kenden wij geen aardappelen of tomaten. Die werden immers door de Conquistadores uit Latijns-Amerika in onze contreien geïntroduceerd. Deze Columbiaanse uitwisseling was trouwens de belangrijkste gebeurtenis in de culinaire geschiedenis van Europa. In Zuid-Amerika verbouwden de indianen -zoals wij ze door de schuld van Columbus nog steeds verkeerdelijk noemen- landbouwproducten waarvan wij in Europa het bestaan niet eens kenden zoals maïs, aardappelen, tomaten, aardbeien, pindanoten, cacao, vanille, tabak en rubberbomen. Die werden door de volgelingen van Columbus naar Europa gebracht en zij brachten dan weer producten van hier naar Zuid-Amerika waarvan ze daar toen het bestaan niet kenden zoals citrusvruchten, bananen, uien, koffie, tarwe en rijst. Ook het paard (dat wij in Europa vanuit Mongolië hadden geïmporteerd), de koe, het schaap, de geit, het varken en de kip zetten voor het eerst een poot aan de grond in Amerika dankzij de Spaanse overheersers. Deze maneuvers werden daarom ook later de Columbiaanse uitwisseling genoemd en waren wellicht veel belangrijker dan de ontdekking van Amerika zelf want daarin waren de Noormannen Columbus al lang voor geweest. Vóór de Columbiaanse uitwisseling waren er geen sinaasappelen in Californië, geen bananen in Honduras, geen rubberbomen in Afrika, geen koeien in Texas, geen ezels in Mexico en geen chocolade in België. Zelfs de paardenbloem is als kruid door Europeanen naar Amerika gebracht. Dat we vandaag een zak frieten met ketchup, tomatensoep met balletjes, coca-cola, een zak popcorn of zelfs een heerlijke Dame Blanche kunnen achterover slaan, moeten wij vooral de Spanjaarden dankbaar voor zijn. Ondank is ‘s werelds loon want er werden niet alleen voedingswaren uitgewisseld, helaas ook ziektes. Tuberculose, malaria, pokken, mazelen, cholera, tyfus en de pest … de Conquistadores waren er ook de oorzaak van dat tal van autochtone bevolkingsstammen uitstierven omdat ze niet bestand waren tegen deze ziektekiemen. Er vielen wellicht meer doden door deze epidemieën dan door de wreedheden van de hidalgo’s. In ruil brachten ze wel syfilis mee naar Europa. Hoe zouden ze die opgelopen hebben?

Laat ons het smakelijk houden. De tomaten in de paella en het jaarlijkse tomatengevecht in Buñol, de tomatina, allebei typische Valenciaanse cultuur … het zou er nooit gekomen zijn zonder de Conquistadores. Nochtans hebben wij de bekendheid van de tapas en de paella in onze contreien niet te danken aan aartshertog Alva of aan koning Filips II maar eerder aan Carmen Bernad en Rudolf Vanmoerkerke. Die laatste was de stichter en bezieler van Sunair, een touroperator die ons in de jaren 60-70 massaal richting Spaanse costa’s deed reizen. Het verhaal van Carmen Bernad is een verhaal van geslaagde migratie en integratie. Haar ouders zijn kort na de Grote Oorlog, in 1919, uit Spanje geëmigreerd. Vader Victor Bernad stouwde zijn wagen vol met Spaanse wijn en appelen en reed ermee naar Antwerpen. Daar opende hij een winkel met Spaanse producten. De winkel beleefde haar hoogdagen toen zijn dochter Carmen, die hier geboren werd en met een Antwerpse zeeman trouwde, later de zaak overnam en bovendien een vaste koninklijke klant kreeg. In 1960 trouwde onze Koning Boudewijn met Doña Fabiola de Mora y Aragon en deze Spaanse furie kwam regelmatig op bezoek in de winkel van Carmen. De gewone Sinjoren die ondertussen aan de costa ook tapas en paella, maar vooral olijven en sangria, hadden leren smaken vonden voortaan vlot de weg naar de Zirkstraat. Zo werd El Valenciano een begrip in de koekenstad. Helaas voor wijlen Victor en voor zijn dochter Carmen is een eeuwfeest niet weggelegd. Het gebouw waar El Valenciano gevestigd was is een uniek historisch pand dat nog dateert uit de Spaanse periode. Alhoewel het wapenschild op de voorgevel 1505 aanduidt, werd het gebouw zelf -volgens Onroerend Erfgoed Vlaanderen- in 1563 opgetrokken als herenhuis De Gulde Handt. Het deed destijds zeer waarschijnlijk dienst als zoutbeurs. Zout was een zeer kostbaar goed vroeger. Men betaalde er toen zelfs lonen mee uit, vandaar de herkomst van ons woord salaris. Het pand beschikt over een immense kelder waar men zelfs met paard en kar kon binnenrijden, een kelder die tot in de Hofstraat reikt. Langs de kade-acteur Karel Vingerhoets had ooit plannen om in deze kelder een volkstheater in te richten maar moest van deze plannen afzien wegens veiligheid-technische redenen.

Wat minder bekend is, is dat volkszanger Wannes Van de Velde het levenslicht zag in het pand van de winkel van Carmen. Wannes’ ouders woonden in 1937 in een kwartier -zoals men toen een appartement noemde- boven de winkel. Hij werd er geboren, groeide er op tussen de olijven, de sherry en de pata negra en kreeg er de liefde voor de flamenco-muziek mee. Wannes werd vooral bekend van zijn volksliedjes in het Antwerps maar zijn liedjes waren vaak gebaseerd op Zuid-Europese melodieën. Zo was bijvoorbeeld zijn liedje Makrobiotisch gebaseerd op Griekse bouzouki-muziek. Het Spaanse verleden van zijn stad, die hij het New York van de zestiende eeuw noemde, en zijn strijd tegen de vernieling van het historisch verleden en erfgoed zijn regelmatig het onderwerp van zijn teksten. Het leverde hem de bijnaam Don Quichot van de Lage Landen op. De Spaanse cultuur zat hem in het bloed want Wannes was ook een begenadigd flamenco-gitarist. De naam flamenco verwijst naar Vlaanderen maar wist je dat die verwijzing naar onze streek eigenlijk weinig flatterend is? Het is eigenlijk een verwijzing naar een zigeunervolk dat begin 16e eeuw vanuit het Centraal- en West-Europa naar Spanje kwam afgezakt, de cingaros. Rond dezelfde periode kwam nog een andere zigeunergroepering, de gitanos, naar Spanje afgezakt. Vandaag wordt het woord gitanos in het Spaans algemeen gebruikt voor zigeuners, excuseer: woonwagenbewoners. De cingaros maakten een omzwerving vanuit de Balkan, via Hongarije en Duitsland om dan via Frankrijk op het Iberische schiereiland aan te komen. Het was een zootje ongeregeld dat bekend stond voor dieverijen en nog veel anders onfraais. De Spanjaarden kenden amper het verschil tussen Duitsland en Vlaanderen omdat beide talen voor hen erg op elkaar leken, ze noemden het Vlaams en het Duits dan ook gemeenschappelijk: germano. Het Calo, de oude taal van de cingaros, heet in het Spaans lenguaje germanesco. Lenguaje germanesco, ook wel palabra germanesca is vertaalbaar als ‘dieventaal’. Komt nog bij dat hun koning, de latere Keizer Karel V, ook uit Vlaanderen kwam. Die werd in Gent geboren. Toen Karel in 1516 als koning van Spanje in Granada arriveerde leefde hij er, naar Bourgondische traditie, lustig op los en moesten er hogere belastingen geheven worden, wat door de Spanjaarden ook als dieverij werd beschouwd. Flamenco werd in Spanje Bargoens voor dief, arrogant, pretentieus en pocherig, wat ook in de stijl van de gelijknamige dans opvalt. Om nog even bij die Karel V te blijven, het was trouwens hij die de tapas in Spanje introduceerde. Van Karel V werd gezegd dat in zijn rijk de zon nooit onderging en hij liet dan ook heel wat koninklijke boodschappers door zijn imperium ronddraven. Zo vertrok er elk uur een ruiter vanuit Spanje naar zijn vertegenwoordigster in de Zuidelijke Nederlanden, Margaretha van Parma. Die ruiters stopten nu en dan aan een herberg maar consumeerden er alleen wijn zodat regelmatig werd vastgesteld dat een ruiter dronken op zijn paard zat. Karel decreteerde dan maar dat alle herbergen bij de drank ook voedsel moesten aanbieden, dat voedsel werd dan een soort aperitiefhapje, een tapa. Wij hebben in onze contreien door het toerisme naar Spanje de tapas dus eigenlijk herontdekt want al van oudsher worden er bij ons hapjes bij het aperitief geserveerd. Tapas worden in Antwerpen smalend ‘charcuterie met veel pretentie’ genoemd, in het Spaans-Bargoens is pretentie: flamenco. Tapas zijn dus veel Vlaamser dan je denkt.

Dit artikel is het laatste in de reeks ‘Antwerpse smaken‘ maar ik maak meteen de brug naar een nieuwe reeks: ‘Antwerpse klanken‘. Een reeks die het niet zal hebben over wat er in de mond verdwijnt maar wel over wat eruit komt: Antwerpse liedjes. Je mag van mij enkele verhaaltjes verwachten over Antwerpse liedjes en vooral over hun oorsprong en/of andere wetenswaardigheden. Ik laat u dan telkens de Antwerpse en eventueel ook de oorspronkelijke versie horen. Ik begin vandaag met een liedje van de bard die in de Zirkstraat, in het pand van El Valenciano, geboren werd: Wannes Van de Velde. Geen flamenco-lied maar wel een liedje met een zuiderse oorsprong. In de herfst van zijn muzikale carrière, in 1999, nam hij het album De nomaden van de muziek op. Op dit album brengt hij een tweetalige versie van de Napolitaanse tarantella Comme facette mammeta. Hij begint met de originele Italiaanse tekst van Salvatore Gambardella en Guiseppe Capaldo uit 1906 maar gaat bij het tweede refrein verder met een sublieme Antwerpse (vrije) vertaling. De donkere kelderstem die u op de achtergrond bij Wannes hoort is die van de ruwste blueszanger-gitarist die ons land rijk is en waarmee Wannes dit album opnam: Roland Van Campenhout. Dit album zou een van de laatste wapenfeiten van Wannes worden. Kort na de opname werd bij hem leukemie vastgesteld. Hij overleed hieraan op 10 november 2008.


Comme facette mammeta – origineel (1906)

Comme facette mammeta – Wannes Van de Velde & Roland Van Campenhout (1999)

foto-wannes-flamenco

My little tank

Wanneer je met een Sinjoor afspreekt ‘aan de tank’ dan weet die direct dat je daarmee het grote kruispunt van de Boomsesteenweg met de Jan Van Rijswijcklaan, de Populierenlaan en de VIIe Olympiadelaan bedoelt. Sommige Sinjoren hebben het nog over ‘den Bosch’ (de Duitse elektroketen had hier vroeger een grote vestiging) of over ‘Autostrade Motors’ (de nabijgelegen Ford-concessionaris). Aan dit kruispunt stond decennia lang een tank tentoongesteld als monument ter nagedachtenis van de bevrijding in de septemberdagen van 1944 tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het betreft een Britse Cromwelltank, eenzelfde model als waarmee Generaal Roberts en zijn troepen de stad binnentrokken vanuit Boom. Deze Cromwelltank werd in 2014, na de heraanleg van het vermelde kruispunt gerenoveerd en in ere hersteld. Om verkeerstechnische reden werd de tank toen tegelijk ook verplaatst naar een eind verderop, nl. op de Jan Van Rijswijcklaan zelf tegenover Antwerp Expo.

Het is deze maand honderd jaar geleden dat de eerste tank op een oorlogsveld verscheen en dat was dus tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Britten zetten toen voor het eerst tanks in tijdens de Slag om de Somme in september 1916. Een veldslag die aan meer dan een miljoen soldaten aan beide kanten van het front het leven kostten en ondanks die hoge tol raakten geen van beide fronten een centimeter verder. Het is een van de ergste massacres van de Grote Oorlog. Nochtans hadden de Britten gehoopt dat ze met de inzet van hun geheim wapen, de tank, een doorbraak in de loopgravenoorlog konden forceren. Het idee om een gepantserd rupsvoertuig te ontwikkelen was niet nieuw maar alle ontwikkelingen werden voorheen stop gezet omdat ze teveel geld kostten. Al tijdens de Krimoorlog (1853-1856) werd er geëxperimenteerd met tractoren met een stoommotor op rupswielen. In 1915 werd in het Engelse plaatsje Lincoln, halfweg tussen Hull en Nottingham, aan de bouw van een nieuw geheim wapen begonnen. Om het geheim goed bewaard te houden moesten de arbeiders die met grote metalen buizen en platen zeulden vertellen dat ze een nieuwe (water)tank aan het bouwen waren. Zo trachtte men de Duitse spionnen die in Engeland actief waren te misleiden. Zo kreeg het gepantserd rupsvoertuig dan ook haar eerste naam, een tank, een naam die bleef voort bestaan en die we vandaag nog steeds gebruiken voor militaire rupsvoertuigen. De eerste ‘tank’ kreeg ook een doopnaam. De Engelsen doopte hun eerste prototype, de voorloper van het model dat later aan het front werd ingezet, de Mark I: Little Willie. Deze Little Willie bleek echter onbruikbaar, het ding raakte amper vooruit en haalde een (top!)snelheid van nog geen drie kilometer per uur. Het eerste prototype werd Little Willie genoemd naar William Ashbee Tritton, de grote baas van William Foster & Company, een bedrijf in landbouwmachines in Lincoln dat het contract had afgesloten voor de bouw van rupsvoertuigen voor het Brits leger. Dit bedrijf maakte al landbouwvoertuigen op rupsbanden die werden ontwikkeld door het Amerikaanse bedrijf Holt Caterpillar, kortweg Caterpillar genoemd, jazeker diezelfden die recent besloten om hun vestiging in Gosselies te sluiten. De fabriek waar de eerste tanks werden gebouwd in Lincoln is vandaag een museum. De tanks van het type Mark I, die later effectief zouden ingezet worden aan het front kregen de bijnaam Big Willie, een schimpscheut op de Duitse Keizer Wilhelm. Aanvankelijk was de inzet van tanks geen succes te noemen maar gaandeweg werden ze wel een belangrijk wapen in de oorlogsvoering. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bewezen de tanks heel wat nut bij de grondgevechten. Er was tussen deze twee oorlogen in wel heel wat tijd en geld aan verdere ontwikkeling besteed.

Na de Tweede Wereldoorlog bleef het belang van tanks groeien. Deze keer zouden het de troepen van het Warschau-pact zijn die voor een onrustbarende ontwikkeling zorgden, vooral met de gevreesde Russische T-63 en T-64 tanks. Reden voor de NATO-legers om letterlijk voor een goed tegenwicht te zorgen en die vonden ze met de ontwikkeling van de Leopard-tank, een model waarvan het Belgisch leger er ook heel wat in dienst had. Van het eerste type van deze gevechtstank van Duitse makelij, de Leopard-1, werden er bijna 6.500 gebouwd. België, het eerste NATO-land dat de Leopard in huis haalde, had er 334 van in dienst. De militaire olifant van 40 ton kon snelheden tot 65 km/u halen op het terrein en had een actieradius van 450 km, dat is een hele vooruitgang tegenover de Little Willie van weleer. Haar opvolger, de Leopard-2, deed met 72 km/u nog beter. Ik heb de Leopard van heel dichtbij meegemaakt. In 1974, toen ik mijn legerdienst in Duitsland vervulde, was deze Leopard het paradepaardje van de landmacht. Als verkenner werden we daar opgeleid in het herkennen en identificeren van tanks, uiteraard vooral die van de vijand, het Warschau-pact. Ik kon een T-54 of een T-63 evengoed van elkaar onderscheiden als een Opel Kadett van een Citroën DS. IPV, wat staat voor identificatie van pantservoertuigen, was zowat de belangrijkste operationele vaardigheid die we als verkenner in die tijd moesten aanleren. Nu ja, aangezien ik dezelfde naam draag als het eerste prototype van de tank was ik het wel aan mezelf verplicht.

Ondertussen is er veel veranderd in de wereld en ook in de manier van oorlogsvoering. Vijanden van tijdens de Koude Oorlog zijn vandaag de nieuwe bondgenoten van de EU geworden en de Leopard werd naar het museum verwezen. Rupsvoertuigen zijn bijna volledig vervangen door gepantserde wielvoertuigen en ons leger is volledig geprofessionaliseerd. De tanks van de twintigste eeuw vind je enkel nog in oorlogsmusea, aan drukke kruispunten in Antwerpen of in de Ardennen en in de heruitzendingen van ‘Allo, ‘Allo!, een legendarische Britse tv-reeks uit de late jaren 80 waarin Lt. Grüber, meesterlijk vertolkt door Guy Siner, regelmatig zijn passie voor zijn ‘little tank’ op heel emotionele wijze uit.


Ik moet het geloven

The Monkees (n.l.n.r.: boven Peter Tork & Micky Dolenz, onder Davy Jones & Michael Nesmith)

In het Jaar van de Aap mag het niet mankeren dat ik ook een blogartikel wijd aan memorabele apen. Die vond ik in de muziekgeschiedenis van het jaar 1966. In het najaar slaagde een tot dan totaal onbekende muziekgroep The Monkees erin de hitparade te veroveren met hun liedje I’m a believer. The Monkees waren in feite een gelegenheidsgroep die bestond uit twee muzikanten en twee acteurs, alle vier afkomstig uit Engeland maar alle vier in Californië op zoek naar een carrièrespringplank. Ze kenden elkaar dus niet maar werden geselecteerd door een groep jonge producers die op zoek waren naar vier gekke jongens. Ze wilden een nieuwe show maken die grotendeels gebaseerd was op het model van de film A hard day’s nights, een succesvolle film uit 1964 van de toen al in de States even succesvolle The Beatles. In die tv-reeks met de eenvoudige naam The Monkees speelden Davy Jones, Micky Dolenz, Michael Nesmith en Peter Tork een popgroep die tijdens haar rondtoeren dolle fratsen uithaalden in videoclip-achtige scenes en kwam er ook steevast een muziekoptreden in voor. Davy Jones en Micky Dolenz waren acteurs en konden geen noot muziek spelen. Daarom zie je Davy, die wel een tienermeisjesidool werd, alleen maar met een tamboerijn in de hand en hebben ze Micky aan de drums gezet om te doen alsof. Michael -door de jongeren hier steevast die met zijn ‘potske’ genoemd- en Peter waren wel muzikanten en hadden ook een acteursopleiding gevolgd. Zij zouden dan ook nog een muzikaal leven kennen na The Monkees. De tv-serie hield het maar twee seizoenen vol maar was wel heel succesvol in de States en ook bij ons in de Lage Landen. Alhoewel critici The Monkees afdeden als een slap aftreksel van The Beatles was John Lennon wel grote fan van hen. De reden waarom de serie in 1968 werd stop gezet was een open conflict tussen de leden van The Monkees en de muziekproducers. Vooral Michael Nesmith en Peter Tork waren het er niet mee eens dat zij nooit mochten participeren bij de muziekopnames in de studio. Die werd door beroepsmuzikanten -waaronder Frank Zappa– ingespeeld, de vier Monkees namen enkel de zangpartijen voor hun rekening. De producers wilden laten zien wie er de baas was en lieten een van hun producties die voor The Monkees bestemd was, het nummer Sugar Sugar (klik op foto), uitvoeren door een andere groep studiomuzikanten, The Archies. Het werd in 1969 een tophit voor The Archies, evenwel ook maar een eendagsvlieg. Het was daarmee over en out voor The Monkees en ze gingen elk hun eigen weg. Davy Jones kon zijn hartenbrekersimago nog even eer aan doen door een eenmalig optreden in de populaire tv-serie The Brady Bunch maar heel succesvol was zijn post-Monkee-carrière niet. Davy overleed in 2012 aan een hartfalen. Micky moest het vooral hebben van reünies en van optredens in kader van nostalgische Monkee-lookbacks. Hij werd zowat de eeuwige vertegenwoordiger van The Monkees. Michael en Peter vonden hun heil in de muziekwereld in het country-rock-genre. Michael zou in 1978 zelfs nog een grote hit scoren bij ons met Silver Moon. Maar hij maakte het vooral als muziekproducer en was o.a. de producer van Lionel Ritchie’s topnummer All Night Long in 1983. Aan reünies van The Monkees heeft Michael een broertje dood, hij zou zich nooit meer laten zien met de drie anderen. Peter zou eveneens het meest succesvol zijn als componist en producer en schreef o.a. enkele soundtracks voor de film Easy Rider, een cultfilm uit 1969 met Peter Fonda, Dennis Hopper en Jack Nicholson waarvan wij vooral het legendarische Born to be wild van Steppenwolf onthouden.

I’m a believer was de eerste en wellicht grootste hit van The Monkees al zullen titels als Daydream Believer en Last Train to Clarksville ook nog wel op sixties-party’s te horen zijn. Het nummer werd geschreven door een jonge onbekende componist die hiermee zijn eerste stappen als songwriter zette en die dit jaar 75 kaarsjes mocht uitblazen, Neil Diamond. Neil was de zoon van Joodse immigranten en werd geboren in Brooklyn New York. Zijn ouders waren in de woelige jaren 30 uit Oost-Europa weggevlucht en met de Red Star Line vanuit Antwerpen naar New York geëmigreerd. In Brooklyn was Neil een klasgenoot van Barbra Streisand met wie hij later muzikaal nog geregeld zou optrekken. Na het succes van The Monkees-versie van I’m a believer vond Neil dat het tijd was om nu ook zelf nummers op plaat te zetten en met succes. Hij reeg de ene hit aan de andere. Sweet Caroline, Cracklin’ Rosie, Song Sung Blue, Longfellow Serenade, If you know what I mean, Desiree, You don’t bring me flowers … het werden allemaal pareltjes van de 60’s en 70’s. In die 70’s waagde hij zich ook aan filmmuziek en ook daar werd het een schot in de roos. Jonathan Livingston Seagull, een novellefilm over een zeemeeuw waarin enkel die vogel de hoofdrol speelde en die volledig gedragen werd door de achtergronddialogen en door de muziekcomposities van Neil Diamond. De film werd een monument in de filmgeschiedenis. Ik heb nog maar één keer in mijn leven meegemaakt dat het publiek in een cinemazaal spontaan een staande ovatie gaf aan het einde van de filmvertoning en dat was in 1973 bij Jonathan Livingston Seagull. In 1980 schitterde Neil Diamond zelf in een film, The Jazz Singer, een remake van de filmklassieker uit 1927 met Al Jolson. Het was Neil’s ode aan zijn Joodse voorouders en alhoewel de film fel bekritiseerd werd putte hij er toch enkele succesnummers uit zoals Hello Again, Love on the Rocks en America. Dit laatste nummer heb ik enkele jaren geleden zelf ook gebruikt als achtergrondmuziek voor de fotomontage in mijn blogartikel People on the move.

De laatste jaren was het wat stiller geworden rond Neil Diamond maar onlangs werd hij terug in de aandacht gebracht door onze eigen Vlaamse zanger John Terra, die enkele nummers in een Nederlandstalig kleedje stak en op cd uitbracht. En daar mocht uiteraard het eerste nummer, I’m a believer, niet op ontbreken. Een zeer verdienstelijke poging maar ik houd het liever op de eerste versie van The Monkees.



Not fade away

Woensdag a.s., op 7 september om precies te zijn, zou de Texaan Charles Hardin Holley, beter bekend onder zijn artiestennaam Buddy Holly, zijn tachtigste verjaardag vieren. Zou, want hij kwam om het leven op 3 februari 1959 bij een vliegtuigongeval in Clear Lake in de Amerikaanse staat Iowa. Deze dag staat in de muziekgeschiedenisboeken geboekstaafd als The day the music died. Buddy Holly verongelukte op 22-jarige leeftijd samen met Ritchie Valens, die wij hier vooral kennen als de zanger van La Bamba -weet er iemand waarom dit in onze contreien de kuskensdans is ?- en van de zeemzoete plakker Donna, J.P. Richardson -beter bekend als The Big Bopper– die bij ons gekend is als de zanger van Chantilly Lace een nummer waarmee ook Jerry Lee Lewis een hit scoorde en de piloot van het vliegtuig Roger Peterson. Ze waren nog maar net opgestegen van het vliegveld van Clear Lake toen hun vliegtuig tegen de grond smakte in een maïsveld net buiten de stad. Een hevige sneeuwvlaag en de onervarenheid van de piloot om op instrumenten te vliegen waren de oorzaak van de crash.

De invloed van Buddy Holly op de muziek van de 50-60’s wordt, ondanks het feit dat hij bij zijn overlijden amper drie jaar bezig was met het componeren van Rock ‘n Roll-muziek, gezien als enorm belangrijk voor de latere muziektrends. Bij ons zal Buddy Holly vooral bekend blijven van zijn eerste internationale successen Peggy Sue, Not fade away en That‘ll be The Day. Hij begon als country-artiest in de vroege jaren 50, toen Rock ‘n Roll in de States nog werd bestempeld als des duivels. Met That‘ll be The Day zorgde hij voor een stijlbreuk. Met zijn Fender Stratocaster-gitaar, een elektrische gitaar in 1954 ontworpen door Leo Fender, lanceerde hij toen een nieuw geluid, een trend die daarna door duizenden rockartiesten zou worden gevolgd. Buddy Holly werd zo een pionier van de moderne Rock ‘n Roll-muziek, die in 1955 haar geboorte zag met de wereldhit Rock around The Clock door Bill Haley uitgebracht als soundtrack van de film Blackboard Jungle. De doorbrak van de Rock ‘n Roll was niet meer te stoppen en het werd dè muziek van de jaren 50 tot medio jaren 60 en kende nog heel wat revivalperiodes daarna. Buddy Holly had een belangrijk aandeel in die doorbraak, vooral ook bij de zwarte bevolking in de States. Zijn optreden in het Apollo-theater in New York was een mijlpaal. Nog nooit was daar een blanke artiest opgetreden want de zwarte bevolking, die vooral naar jazz en blues luisterde, had het aanvankelijk niet begrepen op Rock ‘n Roll. Buddy Holly bracht daar verandering en het dak van het Apollo-theater ging eraf toen hij, begeleid door enkele zwarte muzikanten, zijn nieuwe hit Oh Boy bracht.

Buddy Holly startte zijn muziekcarrière, in zijn geboortestad Lubbock in Texas, samen met zijn jeugdvrienden Glen Hardin en Jerry Allison onder de naam The Crickets. De keuze voor die naam kwam door het geluid van een krekel die zich in hun opnamestudio in zijn garage had verstopt. Zij oogstten aanvankelijk wat lokaal succes met country- en rockabilly-muziek en hun grote doorbraak kwam er nadat ze hun eerste plaat opnamen in de studio’s van hun latere manager Norman Petty. Die doopte de groep om in Buddy Holly and The Crickets omdat hij in de figuur van Buddy Holly, met zijn karakteristieke brilmontuur, een commerciële troef zag. Buddy’s gitaarsolo’s zorgden dan weer voor een belangrijk muzikaal accent. De naam The Crickets was een inspiratie voor de grootste muziekgroep van de 60, The Beatles. Het populaire componistenduo Paul McCartney en John Lennon lieten zich niet alleen muzikaal inspireren door Buddy Holly, zij ontleenden ook de naam voor hun groep aan hem. Geen krekels maar lieveheerbeestjes. Een cover van That’ll be The Day was zelfs het eerste nummer dat John Lennon met zijn vroegere groep The Quarrymen op plaat zette. Enkele jaren na de dood van Buddy Holly kocht Paul McCartney alle rechten van het ganse oeuvre van Buddy op. Maar zij waren niet de enigen die inspiratie vonden bij Buddy. De stichter van de vaste begeleidingsgroep van Cliff Richard, The Shadows, Hank B. Marvin, was verzot op de klanken uit Buddy’s Fender Stratocaster-gitaar. Met de tjangelende rifs op zijn Fender Stratocaster maakte Hank Marvin en zijn Shadows onvergetelijke gitaarnummers in de jaren 60. The Rolling Stones, Bob Dylan, Eric Clapton, Bruce Springsteen, Linda Ronstadt, Elton John, The Greatful Dead, Mud … allemaal lieten ze zich inspireren door Buddy Holly en coverden een of meerdere van zijn nummers. Elvis Costello kopieerde zelfs zijn looks inclusief brilmontuur.

In de winter van 1959 maakte Buddy Holly, die enkele maanden ervoor gebroken had met The Crickets, een muzikale Winter Dance Party-rondreis door de MidWest-staten rond het Michiganmeer samen met een muziekband bestaande uit Waylon Jennings, Tommy Allsup en Carl Bunch. Ritchie Valens, The Big Bopper en Dion and The Belmonts verzorgden een gastoptreden op de Winter Dance Party. Buddy’s echtgenote Maria Elena Santiago, met wie hij zes maanden daarvoor getrouwd was, was zwanger en bleef thuis in Lubbock (Texas). De bus waarmee het gezelschap rondtoerde was echter regelmatig defect en de verwarming deed het al enkele dagen niet meer. Buddy huurde daarom een vliegtuig in om vanuit Clear Lake (Iowa) naar Fargo (South Dakota) te vliegen. In het vliegtuig was maar plaats voor vier, drie passagiers en de piloot. The Big Bopper was fel verkouden en vroeg aan Waylon Jennings om in zijn plaats het vliegtuig te mogen nemen. Ritchie Valens deed kop-of-munt met Tommy Allsup voor de laatste zitplaats, Valens won. Het vliegtuig steeg om iets voor 1u ‘s nachts op maar verloor al enkele minuten later radiocontact. Het wrak werd pas ‘s anderendaags bij dageraad gevonden door de boer van het maïsveld waar het neerkwam. Het nieuws van de ramp sloeg in als een bom in de Amerikaanse mediawereld. Buddy’s echtgenote Maria Elena vernam het eerste bericht over haar verongelukte echtgenoot via de nieuwsreportage op tv. Kort daarop kreeg zij een miskraam. Het was de aanleiding tot een nota bij de Amerikaanse politiediensten dat voortaan geen informatie over slachtoffers aan de pers meer mocht gegeven worden alvorens de familie kon verwittigd worden. In 1971 bezong Don McLean dit tragische vliegtuigongeval van 3 februari 1959 in zijn nummer American Pie als The day the music died. Een jonge talentvolle muzikant ging te vroeg heen maar liet een immense muzikale erfenis na. Helaas heeft hij wel jaren moeten wachten op echte erkenning. Pas in 2000 werd hij bedacht met een Lifetime Achievement Award en werd hij opgenomen in de Rock ‘n Roll Hall of Fame en pas in 2011 -op zijn 75e verjaardag- kreeg hij een ster op de Hollywood Walk of Fame. Enfin, beter laat dan nooit zeker.Dan doen ze beter in Clear Lake (Iowa), daar wordt nog steeds elk jaar in februari hulde gebracht aan Buddy Holly met een jaarlijkse Winter Dance Party in de Surf Ballroom, dezelfde zaal waar Buddy Holly zijn laatste muzieknoten speelden in 1959. De zaal heeft nog steeds dezelfde stijl en sfeer van de fifties en het huldeconcert is een jaarlijkse revival van de Rock ‘n Roll-muziek zoals ze in die tijd bestond.

Alhoewel ik amper drie was toen Buddy Holly verongelukte ben ik heel vroeg fan geworden van zijn muziek. Ik maakte kennis met zijn muziek in de vroege jaren 60 op de jukebox van het soldatencafé in Brasschaat-Polygoon dat door een tante van mijn moeder destijds werd uitgebaat. Toen ik enkele jaren later mijn eerste gitaar van Sinterklaas kreeg begon ik de liedjes van Buddy Holly na te spelen. Helaas, het was geen Fender Stratocaster en ik was ook niet begiftigd met de hikkende falsetstem van Buddy. De Rock ‘n Roll-muziek van de 50’s heeft altijd hoog op mijn muzikale lijst gestaan en Buddy’s muziek neemt daarop een bijzondere plaats in. Ik heb de musical over het leven en werk van Buddy tweemaal bijgewoond. Een eerste maal in het Royal Strand Theatre in het Londense West End en een tweede maal in de Warande in Turnhout. Op deze pagina kom je enkele jukebox-plaatjes tegen, achter elk plaatje schuilt een Buddy Holly-song van weleer, klik dus gewoon even op de jukebox, je hebt er deze keer zelfs geen muntstuk voor nodig. Voor mij is hij zeker Not fade away want Rock ‘n Roll is here to stay … zo zou Buddy het ook niet anders gewild hebben. The day the music died? No way!


The Winter Dance Party at The Surf Ballroom in Clear Lake (Iowa)

Mag het een beetje More zijn

2016 is een belangrijk jaar in de geschiedenis van de wereldliteratuur. Het is dit jaar 500 jaar geleden dat de Engelse humanist Thomas More zijn meesterwerk Utopia uitgaf. Voluit heet het boek De Optimo Rei publicae Statu deque Nova Insula Utopia. Antwerpen speelt een cruciale rol in dit boek en ook in de totstandkoming van het werk. Antwerpen was in 1516, in de Gouden Eeuw, immers hèt handels- en cultureel centrum van de wereld. Thomas More vertelt in het boek Utopia over zijn ontmoeting met de toenmalige stadssecretaris en magistraat van Antwerpen, Pieter Gillis, toen hij de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk (die toen nog geen kathedraal was) buitenkwam en die er in een gesprek gewikkeld was met een Portugese zeeman Raphaël Hythlodaeus. Die zeeman vertelt hen over zijn wereldreizen en over zijn bezoek aan het eiland Utopia. Het boek Utopia beschrijft de samenleving op het fictieve eiland Utopia en de politieke, sociale en religieuze gebruiken van de eilandbewoners. Het is geschreven in de vorm van een gesprek tussen Pieter Gillis, Raphael Hythlodaeus en Thomas More zelf. Raphael Hythlodaeus, een filosoof en wereldreiziger, geeft een beschrijving van zijn bezoek aan het eiland Utopia. Volgens Hythlodaeus is Utopia de beste samenleving ter wereld, omdat er geen privébezit bestaat. Hierdoor richt iedereen zich op publieke belangen, in plaats van eigenbelang. De naam van het eiland Utopia is afgeleid van de Griekse woorden ou (niet) en topos (plaats) en betekent dus zoiets als ‘Nergensland’. Ook de naam Raphael Hythlodaeus heeft een dubbele lading. De naam betekent ‘Boodschapper van de heer’ (Raphael) ‘verkoper van onzin’ (Hythlodaeus).

Fictie en realiteit worden in het boek enigszins door mekaar verweven. Utopia en de zeeman Raphael Hythlodaeus zijn verzonnen maar Pieter Gillis en de ontmoeting tussen More en Gillis zijn werkelijkheid. More verbleef in ons land als gezant van koning Hendrik VIII om er in Brugge te komen onderhandelen met de Vlaamse wolnijveraars. Hij verbleef in die periode ook in Leuven en in Mechelen. Hij was goed bevriend met Pieter Gillis en verbleef enkele dagen bij hem thuis aan de Kiekenmarkt (vandaag is dat de Eiermarkt) in Antwerpen. Pieter Gillis, die ook een humanist was, inspireerde More voor zijn boek Utopia. More stuurde de manuscripten zelfs naar Pieter Gillis op voor correctie en het was Pieter Gillis die voor de eerste druk zorgde bij de Aalsterse pionier van de boekdrukkunst Dirk Martens in diens drukkerij te Leuven. Pieter Gillis ontwierp ook het speciale utopia-alfabet dat in het boek gebruikt wordt. In Utopia brengt More een uitgebreide groet aan zijn Antwerpse vriend en hij geeft de volgende beschrijving van diens persoonlijkheid : “Hij is een geboren Antwerpenaar, die onder zijn medeburgers een groot vertrouwen geniet en een eervolle positie inneemt, terwijl hij zeker de meest eervolle verdient. Want of ik deze jongeman eerder om zijn geleerdheid dan om zijn karakter moet prijzen, weet ik niet. Hij is namelijk even rechtschapen als fijn beschaafd, daarbij oprecht van hart tegenover alle mensen, tegenover zijn vrienden echter zo hartelijk, liefhebbend, trouw en hun zo eerlijk toegedaan, dat het moeilijk valt ergens iemand anders te vinden die men zou menen in alle opzichten met hem als vriend te mogen vergelijken. Hij is van een zeldzame bescheidenheid, niemand houdt minder van ijdel vertoon, niemand is zo eenvoudig en verstandig“. De vertaling in het Nederlands of in het Neder Duytssche zoals dat toen genoemd werd gebeurde ook in Antwerpen bij uitgever Hans De Laet.

Nu zou je denken dat deze mijlpaal in de literaire geschiedenis met veel luister en trompetgeschal herdacht zou worden in de koekenstad. Niks is minder waar en dat vind ik jammer, een gemiste kans zelfs om Antwerpen cultureel even terug op de wereldkaart te zetten. Het lijkt zelfs dat alleen de academische wereld interesse heeft voor deze verjaardag. Zowel in de universiteit van Antwerpen als die van Leuven wordt er bijzondere aandacht geschonken aan deze 500e verjaardag maar daar houdt het dan ook op. In Leuven start in oktober een tentoonstelling in het M-Museum maar in Antwerpen is het zelfs wachten tot 2019 wanneer het Museum van Schone Kunsten zal gerenoveerd zijn, waar men dan een grote tentoonstelling over de Gouden Eeuw plant. Voor het overige moeten we het doen met een gedenksteen voor de kathedraal waarop in de vijf grootste wereldtalen -zijnde het Arabisch, het Chinees, het Engels, het Spaans en het Hindi- de tekst gegraveerd staat: “Hier ontmoette Thomas More in 1515 naar eigen zeggen de reiziger die hem vertelde over Utopia.” Breng wel een goede leesbril mee want alhoewel de steen maar enkele maanden oud is, is de tekst nog amper te lezen. Dat krijg je als je enkel de goedkoopste offerte weerhoudt. Is het misschien omdat het meesterwerk van Thomas More teveel doet denken aan een socialistische samenleving dat het huidige stadsbestuur hem letterlijk links laat liggen? Is de huidige Antwerpse CD&V-schepen van cultuur misschien al vergeten dat Thomas More als martelaar stierf omwille van zijn extreme trouw aan het katholieke geloof en later door de Paus heilig verklaard werd. De utopie is een vrije vorm van politieke filosofie.

Ik sluit af met een Antwerpse taalwiki. Wanneer een Sinjoor thuis blijft tijdens de grote zomervakantie en niet naar een of andere buitenlandse bestemming trekt dan zegt hij tegen zijn vrienden dat hij naar Nievrance of naar Saint-Corniche gaat, twee Antwerpse uitdrukkingen voor ‘Nergensland’. Ik heb nog geen enkele Sinjoor horen zeggen dat hij op vakantie naar Utopia gaat.