Doe wel en kijk niet om

Na een verblijf van om en bij de zes maanden in Taiwan ben ik goed en wel terug op Belgische bodem geland en is het tijd voor een terugblik. Mijn vertrek naar Taiwan op 3 oktober jl. was tegelijk ook de start van een nieuwe periode in mijn leven. Ik moet toegeven dat het best wel wennen was. De eerste weken leek het nog even op wat ik al enkele jaren gewoon was, een jaarlijks vakantieverblijf in het Verre Oosten. Maar na een tijdje begon het wel te dagen. Ik moest nu niet meer aftellen naar een terugreis om daarna terug aan de slag te gaan. Mijn eerstvolgende retour naar België was pas in januari en dan nog slechts voor een korte periode want daarna keerde ik al terug oostwaarts. Ik hield ondertussen nog wel contact met een aantal oud-collega’s en ook via de sociale media werden de banden aangehouden maar prakkiseren over dossiers die ‘na mijn vakantie’ terug op mij zaten te wachten, dat was er niet meer bij en dat gaf dan toch wel een heel ander gevoel. In Taiwan moest ik mij ook aanpassen. Ik was er niet meer als toerist maar als (tijdelijke) resident. Ik had mij dan ook al op voorhand een aantal goede voornemens gemaakt maar zoals het spreekwoord zegt … de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.

Van mijn goede voornemen om hier nu behoorlijk aan mijn kennis van het Mandarijn te gaan schaven is maar weinig in huis gekomen. Genoeg ambitie maar praktische bezwaren stonden in de weg. Je moet dan inschrijven voor een cursus en uiteraard ook het lesschema volgen en daar wrong de schoen al. De meeste cursussen waren ofwel al begonnen en ik kon daar niet meer aansluiten en de planning van toekomstige sessies raakten dan weer in conflict met mijn planning. We hadden al een uitstap naar de V.S. geboekt in november en na de kerstvakantie had ik al gepland om voor enkele weken terug naar België te reizen. Ondertussen heb ik wel een beetje aan zelfstudie gedaan maar ik kan niet beweren dat ik daarmee grootse vorderingen gemaakt heb. Alle beetjes helpen, denk ik dan maar. Volgende keer beter. Mijn voornemens om wekelijks een fietstocht te maken werden wel zo goed mogelijk vervuld maar hier heeft het slechte weer mij wel enkele keren parten gespeeld. We hebben dit jaar de strengste winter gekend van al die jaren dat ik hier verblijf. Vanaf onze terugkeer uit de V.S. tot half maart heeft het hier enorm veel geregend en hebben de temperaturen constant ver beneden de normale verwachtingen gelegen. Toen ik in januari in België was, was het in Taiwan kouder dan bij ons in Vlaanderen en viel er voor het eerst in decennia zelfs een beetje sneeuw, ongezien. Een koudere periode in december-januari is niet abnormaal maar dit jaar bleven de temperaturen toch wel lang beneden de 15 graden. Begin maart ben ik zelfs bijna een week niet buiten gekomen omdat het zo hard regende en de thermometer amper 13 graden gaf. Normaliter is het in maart al vlot boven de 20 graden, zelfs regelmatig al boven de 25. We hebben tot begin april moeten wachten eer het kwik de 25 haalde. Het heeft de pret niet kunnen bederven maar we moesten wel regelmatig ons dagschema aanpassen. De koele voorjaarsperiode was er zelfs de aanleiding toe dat we een keertje meer richting Macau en Hongkong zijn getrokken want daar was het weer toch iets beter alhoewel ze ook daar wel anders gewoon waren. Ik had mij voorgenomen om -eens gepensioneerd- wat meer van de wereld te zien en die start heb ik niet gemist. Als ik al mijn vliegtuigverplaatsingen bijeen tel dan heb ik sinds mijn vertrek op 3 oktober tot mijn thuiskomst op 30 april niet minder dan 96 uren ofte vier volle kalenderdagen aan boord van een vliegtuig doorgebracht, op de kop af 39.609 mijlen ofte 63.375 kilometer, anderhalve keer rond de wereldbol dus. Bibberen in de sneeuw van de Japanse alpen en puffen in het zweet in de tropische tuinen in Singapore. Een retour Taipei-LA, tweemaal retour Antwerpen-Taipei en nog eens tweemaal retour Taipei-Macau. Dan heb ik er de honderden kilometers per taxi, bus, metro, trein, ferry of auto niet bijgeteld.

In januari hield ik even een pitstop in België. Terwijl mijn vrouw onze honk in Taiwan een flinke poetsbeurt gaf ben ik even poolshoogte gaan nemen of in Edegem nog alles op orde was. Tegelijk moesten er nog wat administratieve geplogenheden vervuld worden want met pensioen gaan brengt ook mee dat er hier en daar wat moet geregeld worden. Dit viel allemaal wel goed mee en ik was er zo snel door dat ik nog tijd genoeg overhield om nog wat vrienden en kennissen op te zoeken. Terug in Taiwan mocht ik meteen al aan de slag om een paar klussen uit te voeren. Hier en daar een likje verf, enkele buislampjes vervangen, een vijsje hier en een nageltje daar, je kent dat wel. Zo voelde ik me dan meteen ook terug ‘thuis’. Na enkele uitstappen, de laatste naar Japan, was het zo weer eind april en werd het tijd om terug huiswaarts te keren want mijn thuis is nog steeds waar mijn Stella staat, of liever … mijn Bolleke. Net op tijd om de Kielse Mannekens hun derde kampioenstitel op rij te zien pakken en de Great Old haar titeldroom letterlijk en figuurlijk in rook te zien opgaan.
Het is toch wel angstaanjagend te moeten vaststellen hoe snel een half jaar voorbij gevlogen is. Tempus fugit is een understatement.

De trouwe lezers van mijn blog zullen mijn dagelijkse cursiefjes van de vorige jaren wel gemist hebben. Het was echter vooral mijn bedoeling om meer tijd te steken in de retrospectieve van mijn politiecarrière in de blog Copzorgen die op 1 december op gang werd geschoten. Die komt ondertussen goed op dreef en ik mag ook niet klagen over de belangstelling. Het laatste woord is echter niet gezegd noch geschreven. Maar tussendoor blijf ik ook verder pennen op mijn eigen blog met reisverhalen en volstrekt onbenullige wetenswaardigheden. Wie schrijft, die blijft.


It’s summer time !

Je zou het aan het weer niet zeggen maar vandaag vieren we een bijzondere eeuweling … de zomertijd. Het was op 1 mei 1916 dat in ons land voor het eerst werd overgeschakeld op de zomertijd. U hebt het snel uitgerekend, 1916 dat was midden in de Eerste Wereldoorlog en het grootste deel van het land leefde toen onder bezetting van het Duitse Keizerrijk. Alle openbare horloges moesten op 30 april 1916, op bevel van de keizer, om 23u (in het pamflet aangeduid als elf uur ‘s namiddags) één uur vooruit gedraaid worden zodat het op dat ogenblik middernacht werd, dus 1 mei 1916. Op 1 oktober werd er dan teruggeschakeld op de standaard midden Europese tijd. Om 1u ‘s morgens moesten dan de horloges een uur teruggedraaid worden. ik heb het al vaker in mijn blogartikels gezegd: Oorlog is het begin van alle dingen, dat was dus ook zo voor de zomertijd.

100-dollarbiljet met de beeltenis van Benjamin Franklin

De voornaamste beweegredenen voor het instellen van de zomertijd zijn energiebesparing. Met het invoeren van de zomertijd hoopten de Duitsers hun kolenreserves te sparen. Het idee van de zomertijd was echter geen Duitse uitvinding. Reeds in 1784 brak de Amerikaanse geleerde Benjamin Franklin in Parijs een lans voor de zomertijd. Hij berekende dat de Fransen door de invoering van de zomertijd per jaar liefst 96 miljoen pond kaarsen zouden kunnen uitsparen. Franklin stond bekend als een ongelofelijke gierigaard, ik betwijfel dus of hij ooit een 100-dollarbiljet -waarop hij vandaag prijkt- heeft uitgegeven. Maar in het land van l’Avare van Molière werd om zijn voorstel vooral eens goed gelachen.

Een eeuw later, in 1907, werd het idee van de zomertijd terug opgepikt door de Engelse bouwondernemer William Willet. Die stelde een zomertijdscorrectie voor van 20 minuten tussen april en september, wat volgens hem zou leiden tot een besparing van tweeënhalf miljoen pond sterling. Zijn voorstel werd op minder hoongelach onthaald maar kon toch de altijd ernstige Britse parlementsleden niet overtuigen en die stemden zijn voorstel dan ook weg. Democratie is het slechtste systeem maar er is geen beter, zo moet ook de Duitse Keizer Wilhelm gedacht hebben want hij had geen parlement vandoen, een simpel keizerlijk decreet volstond. Het keizerlijk gouvernement van België lag in Antwerpen en daar werd dan ook het keizerlijk decreet in ‘den Vlaamschen taal’ afgekondigd. Het is mij niet duidelijk of het enige stukje ‘onafhankelijk’ België dat zich toen achter de IJzer bevond mee gevolgd is met deze zomertijdsregeling maar het is wel zo dat het neutrale Nederland, dat niet in de oorlog betrokken was, een dag later deze Duitse regeling volgde en dat Engeland, die samen met ons front vormden tegen de Duitse bezetter, het voorbeeld volgde op 21 mei, drie weken later dus. Ik vermoed dan ook dat aan de IJzer eveneens een zomertijdsregeling van kracht is gegaan, op zijn minst vanaf het moment dat de Engelsen meededen.

De zomertijd is dus een uitvinding van de 20e eeuw. Het indelen van de wereldbol in tijdzones was trouwens pas in de late 19e eeuw tot stand gekomen. Voorheen keek iedereen gewoon op de zonnewijzer of op de kerktoren om te weten hoe laat het was en leefde de mensen gelijk met de natuur, het stak allemaal niet op een kwartier. Door de komst van de trein en de stoomboot kreeg reizen een andere dimensie en werd een stipt tijdstip belangrijk. In ons land werd in 1892 beslist om de UTC-tijdzone te volgen, ook wel de Greenwich Mean Time (GMT) genoemd. Als je de kaart van Europa bekijkt dan is dit zelfs logisch want we liggen dichter bij Londen dan bij Berlijn. In feite leven wij al in de UTC 35 minuten vooruit en dus al een half uur zomertijd. Na de Eerste Wereldoorlog werd in ons land de zomertijdsregeling behouden doch op onregelmatige data. Bij de tweede Duitse bezetting, in 1940, werd ons land door de Duitsers op de Midden-Europese tijdzone (CET) gezet, gelijk met Berlijn en dus een uur verschil met de UCT van Londen. Bovendien werd ook de zomertijdsregeling terug ingevoerd naar Duits systeem. Vanaf 1945 werd de zomertijdsregeling weer afgeschaft maar ons land bleef, om praktische redenen wel in de CET-tijdzone. Zo liepen de horloges in gans West-Europa gelijk, behalve in Groot-Brittannië, Ierland en IJsland. Eigenlijk tegennatuurlijk want grote delen van Frankrijk en Spanje en zelfs gans Portugal liggen veel westelijker dan de GMT-lijn en vallen dus eigenlijk in de UTC-tijdzone. In 1977 werd de zomertijd weer terug ingevoerd ingevolge de petroleumcrisis die door de oorlog in het Midden-Oosten werd veroorzaakt. Sinds dan heeft de zomertijdsregeling in Europa altijd stand gehouden.

De zomertijdsregeling is echter een aaneenschakeling van bedrog en volksverlakkerij. Wetenschappers zijn het er allang over eens dat de vermeende energiebesparing haar doel miste en dat de jaarlijkse dubbele overstap de biologische klok teveel verstoort waardoor de voordelen niet opwegen tegen de nadelen. Gezondheid en slaap lijden er onder en ook toerisme, handel en verkeer ondervinden meer nadeel dan voordeel, wat koren op de molen van de tegenstanders is. Ik zie vandaag wel een licht voordeel. Taiwan volgt geen zomertijdsregeling en dus bedraagt het tijdverschil met België momenteel zes uren. Moest België geen zomertijdsregeling kennen dan zou het verschil zeven uur zijn en als ons land zoals vroeger dan ook nog steeds tot de UTC-zone zou behoren, waar het geografisch gezien thuis hoort, dan zou het verschil zelfs acht uren bedragen. Recupereren van een jetlag van zes uren of van acht uren, het scheelt een slok op de borrel. Daarmee hebt u dus ook begrepen dat ik veilig en wel -na een lange maar comfortabele vlucht- op Belgische bodem geland ben en het gevecht met de jetlag kan aanvatten.

Als het nu hier ook nog echt zomers weer zou willen worden… of is dat ook de schuld van de Sossen?


Als ik God was …

Dit liedje van Peter Koelewijn uit 1978 met als bijtitel KL 204 (een fictief vluchtnummer) is waarschijnlijk het meest bekende lied dat de luchthaven van Amsterdam Schiphol als decor heeft. Op het ogenblik dat dit artikel gepubliceerd wordt ben ik op weg, aan boord van een Boeing 777-300ER van EVA AIR, naar Amsterdam Schiphol met een tussenstop in Bangkok. Mijn verblijf in Taiwan zit erop en het is tijd om terug de koekenstad onveilig te gaan maken. Ik kan eigenlijk al niet meer tellen hoeveel keer ik al op Schiphol opgestegen of geland ben. Ik weet wel dat de allereerste keer in 1975 was. Toen maakte ik met mijn toenmalige werkgever ECI de jaarlijkse bedrijfsuitstap. De bestemming was Parijs en we vlogen toen met een charter van Martinair van Amsterdam Schiphol naar Paris Le Bourget. Er is dan wel meer dan twintig jaar over gegaan vooraleer ik nog eens terug vanop Schiphol vertrok maar sinds medio jaren 90 ben ik een ‘frequent flyer’. Mijn bijzondere aandacht voor Schiphol is niet toevallig want deze tweede oudste en vierde grootste luchthaven van Europa viert haar eeuwfeest dit jaar. Het was in april 1916, midden van de Eerste Wereldoorlog waarin Nederland nota bene niet betrokken was omdat zij neutraal bleven, dat de minister van oorlog toestemming gaf om op de poldergronden van het vroegere Haarlemmermeer, ten zuidwesten van Amsterdam, een militair vliegveld in gebruik te nemen. Op 16 september 1916 werd het militaire vliegveld ook effectief in gebruik genomen. De poldergronden waren in het midden van de 19e eeuw ontstaan door het droogleggen van het meer. Hierdoor ligt dit terrein dan ook beneden de zeespiegel en daarmee is Schiphol de laagst liggende luchthaven ter wereld, vier meter onder de zeespiegel. Oorlog is het begin van alle dingen want van burgerluchtvaart was hoegenaamd nog geen sprake. De naam Schiphol komt zeer waarschijnlijk van scip hol, hol is een lager gelegen gebied (zoals in Holland) waar hout voor de scheepsbouw werd gevonden.

Na de oorlog werd vooral post en vracht vervoerd via de lucht met afgedankte militaire toestellen. In 1919 werd de Koninklijke Luchtvaartmaatschappij voor Nederland en Koloniën N.V., kortweg de KLM, opgericht. In 1920 opende deze KLM haar eerste lijndienst tussen Amsterdam en London. Sleutelmoment voor de luchthaven van Schiphol was de organisatie van de Olympische Spelen in Amsterdam in 1928. Met de opkomende burgerluchtvaart zag Nederland haar kans om van deze spelen gebruik te maken om een volwaardige luchthaven te bouwen met een stationsgebouw, een verkeerstoren en een betonnen landingsbaan waarop de grootste vliegtuigen behoorlijk en veilig konden opstijgen en landen. Bij de aanvang van de Tweede Wereldoorlog werd Schiphol door de Duitsers gebombardeerd en quasi volledig vernield. Later zouden de Duitsers de startbanen terug operationeel maken als hoofdvliegveld voor hun eigen militaire doeleinden. In 1945 zou al zeer snel gestart worden met de heropbouw. De luchtvaart begon haar rol in de mobiliteitsmarkt op te eisen en met de komst van straalvliegtuigen werden vliegreizen ook betaalbaar voor Jan met de pet of in deze beter… Kees met de pet. Schiphol was klaar voor de eerste toeristenvluchten met o.a. chartermaatschappij Martinair.

In 1967 werd een nieuw luchthavengebouw geopend door Koningin Juliana. Schiphol was hiermee klaar om de nieuwe grote jets en later ook de jumbojets te ontvangen. Het masterplan van 1990 leidde ertoe dat Schiphol andermaal grondig vernieuwd en uitgebreid werd om te kunnen voldoen aan de behoeften van de 21e eeuw. Dit masterplan werd afgerond met de opening van de vijfde startbaan, de Polderbaan, in 2003. De jaarcijfers van Schiphol zijn indrukwekkend te noemen: in 2014 telde het meer dan 430.000 vliegbewegingen, 1,6 miljoen ton aan vrachtvervoer en meer dan 55 miljoen passagiers vertrokken, arriveerden of maken een transfer (40%!) op Schiphol. Iets minder goed ging het de KLM af. De globalisatie van de luchtvaart heeft haar tol geëist voor de vliegende Hollander. In 1940 was KLM nog de derde grootste luchtvaartmaatschappij ter wereld maar na de Tweede Wereldoorlog werd de concurrentie zo sterk dat zij terug viel tot de vierde maatschappij van Europa. Begin jaren 90 ging KLM een joint venture overeenkomst aan met het Amerikaanse Northwest Airlines dat zelf later opging in Delta Air Lines en in 2004 fuseerde KLM met het Franse Air France. De gebeurtenissen van 11 september 2001 in de V.S. hadden de luchtvaart rake klappen toegebracht. De fusiegroep Air France-KLM vecht al jaren tegen de verliescijfers. Er is terug hoop want voor het eerst sinds de fusie boekte de maatschappij vorig jaar een kleine winst. Nu ja, wie zijn wij om daar kritisch over te doen. Sabena is al lang failliet en wereldwijde maatschappijen als Pan Am, Boac, TWA of SAS zijn ook al verleden tijd. KLM is nog steeds mede-titularis van de grootste vliegtuigramp uit de geschiedenis van de burgerluchtvaart. Op 27 maart 1977 botste een Jumbojet 747 van KLM met een gelijkaardig toestel van het ter ziele gegane Amerikaanse Pan Am op de luchthaven van Tenerife. 583 mensen kwamen hierbij om. De schuld voor de ramp werd later door het onderzoeksteam bij de gezagvoerder van het KLM-toestel gelegd.

Ook de luchthaven Schiphol zelf heeft haar aandeel in vliegtuigrampen gekregen. De meest recente was de crash van het Turkse vliegtuig net voor de landingsbaan op 25 februari 2009. Op 27 oktober 2005 was de luchthaven zelf het decor van een rampenscenario. Toen brak er brand uit in het cellencomplex en lieten elf gedetineerde illegalen het leven. En in datzelfde jaar vond ook een grote diamantroof plaats, de grootste uit de Nederlandse geschiedenis. De diamanten waren aan boord van een waardetransportwagen die ze vervoerden naar een gereedstaand KLM-vliegtuig dat ze naar de luchthaven van Deurne moest brengen. Maar de meest memorabele ramp blijft wellicht die van 4 oktober 1992. Toen stortte een cargo Jumbojet van de Israëlische maatschappij El Al neer op een flatgebouw in de Amsterdamse wijk Bijlmermeer kort na het opstijgen op Schiphol.

Hoe dan ook vliegen blijft de veiligste manier van reizen en daar geloof ik ook in. Ik heb alle vertrouwen in de bemanning en de verkeersleiding. Als het toch mis moet gaan dan zal het God zijn die weer een zilveren vogel (in mijn geval een groene vogel) uit de hemel heeft geplukt. Het is niet om veiligheidsredenen dat ik ben overgestapt van KLM naar EVA AIR maar wel omwille van het feit dat KLM haar puntensysteem voor frequent flyers enkele jaren geleden zodanig heeft aangepast dat klanten zoals ik, die in ff-normen eerder sporadisch vliegen, geen voordeel meer kunnen halen en nog nauwelijks van het laagste niveau wegraken. En zeggen dat ik met dezelfde frequentie ooit bij KLM tot het niveau Gold Member was geraakt. Bij EVA AIR lukt dit nog wel en ben ik ondertussen al meer dan twee jaar Silver Member en met een beetje geluk kan ik op het einde van dit jaar ook promoveren tot Gold Member. Nog een flinke twaalfduizend mijlen en ik ben er. Maar laat mij eerst deze vlucht afronden. En een jubilaris bezoeken dat doe ik met stijl. Ik heb weer genoeg miles verzameld voor een upgrade naar de Royal Laurel-klasse. Genieten op hoog niveau dus. Als alles volgens schema loopt dan landt mijn vliegtuig zaterdagavond omstreeks halfacht op het tarmac van jubilaris Amsterdam Airport Schiphol. In IATA-taal AMS op 52° 19’ NB en 4° 46’ OL.



Als ik God was (KL 204) – Peter Koelewijn

Ik ben er ondersteboven van

Hebt u kinderen die constant uw huis ondersteboven zetten? Of had u ook eens graag geweten hoe uw huis er uit ziet voor een vleermuis? In Taipei hebben ze voor deze beide doelgroepen een oplossing. Ze bouwden hier een ‘Upside down house‘. Tot 22 juli a.s. kan het publiek er kennis mee maken en ervaren hoe leven in een woning op zijn kop aanvoelt.

Leuk om zien maar ik werd er niet echt wild van. De jongeren hier wel want die wilden maar niet avanceren en bleven selfies en Instagramplaatjes nemen met hun smartphone. Toen een jonge kerel maar bleef lamenteren onder de toiletpot heb ik dan deze ook maar meteen doorgetrokken. Zo maakte hij meteen kennis met de echte wetten van de zwaartekracht en ging het ook een beetje beter vooruit. Ik was er niet ondersteboven van, hij wel😀

Alle gekheid op een stokje en even ernstig nu want gisteren lagen we bijna letterlijk ondersteboven. Enkele krachtige aardschokken deden de gebouwen hier in Taipei grondig beven. Voor zover mij nu bekend hebben deze aardbevingen geen menselijk leed veroorzaakt. Het bleef de ganse avond wel heel erg woelig onder ons voeten.



 

Toen de dieren nog spraken

Wanneer ik eens nood heb aan een rustpauze dan pleeg ik hier in Taiwan al wel eens naar de bioscoop te gaan. Vrijdag was het van dattum, ik trok samen met mijn vrouw naar de Miramar Studios in Dazhi, een wijk in het Zhongshan district aan de noordrand van Taipei, om van een film te genieten. In Taiwan, net als in Europa, kwam op 15 april de film The Jungle Book (versie 2016) uit en daar was ik als de kippen bij. Ik was amper twaalf toen ik naar de eerste versie van het meesterwerk van Walt Disney, toen nog in een plaatselijk cinemazaaltje in Merksem, ging zien. Die kwam uit eind 1967, bijna een halve eeuw geleden dus. Jungle Book, een verfilming van het verhalenboek van de Britse schrijver Rudyard Kipling, is voor mij nog steeds de beste Disney-film. Ik heb het dan over de versie 1967. Het was trouwens de laatste film waar Walt Disney zelf nog aan meewerkte al heeft hij het eindresultaat nooit kunnen zien want hij overleed op 15 december 1966.

Niet alleen de prachtige animatietekeningen en het ontroerend verhaal maar ook de aanstekelijke muziek maakte van deze tekenfilm een unicum in haar tijd. Ik moet toegeven dat ik met twijfels naar de nieuwe versie ging kijken. Ik heb het al niet erg begrepen op ‘remakes’ en ik vreesde ook dat de ziel van de echte animatiefilm niet meer in deze remake zou zitten. Ik vergiste mij schromelijk. Jungle Book versie 2016 is een meesterwerk. Het speelt zich allemaal af in een levensecht decor en de dieren zien er ook uit als echte dieren. Tot daar ontbreekt natuurlijk de charme van de animatie. Maar de kracht van de animatie zit hem in de manier waarop ze de dieren laten spreken als mensen maar acteren als dieren. Dit is moderne animatietechniek van de bovenste plank. Op geen enkel moment heb ik de indruk gehad dat het computertechniek was, zo levensecht. Ik heb de film hier in IMAX 3D kunnen zien en dan kijk je niet meer naar een film, dan zit je er midden in. Dan lijkt het alsof je zelf figurant bent in de film. Ik heb me er zelfs op betrapt dat ik een kleine ontwijkbeweging maakte toen de tijger Shere Khan vanuit het scherm als het ware de zaal in sprong om Mowgli te verschalken en ook toen Kaa de slang, die in deze versie meer weg heeft van een anaconda, haar kop naar voren schoof om te hypnotiseren. Je zou er bijna zelf door gehypnotiseerd worden.

De verhaallijn van de versie 2016 is bijna identiek aan die van 1967 op enkele uitzonderingen na. Zo is het einde iets anders, Mowgli wordt nu niet verleid door een mooi meisje om naar het mensendorp terug te keren, jammer. Ook de olifantenpassages zijn anders. Het militaire optreden is er niet meer bij. Met de olifanten krijgen de toeschouwers zelfs een moraliserende boodschap voorgeschoteld: respect voor fauna en flora en het behoud van de wilde natuur. Voor het baby olifantje was er een andere rol weggelegd maar daarom niet minder vertederend. Deze film heeft ook meer zin voor realisme gekregen en er wordt meer vanuit het standpunt van dieren gekeken. Mensen, vuur en gereedschap zijn compleet onnatuurlijk vanuit een dierenperspectief en worden dan ook als een bedreiging voor hun milieu gezien. Ik was ook zeer benieuwd wat ze met de muziek van de versie 1967 zouden doen. Hier hebben de makers toch wel hun respect getoond voor de originele Disney-uitvoering. Er zit minder muziek in de film zelf. Enkel het beregoede The Bare Necessities wordt nog in de film zelf gezongen, door levensgenieter Baloo de beer uiteraard. Maar King Louie, die in de nieuwe versie meer weg heeft van de gewezen Oegandese dictator Idi Amin Dada, brengt zijn I Wanna Be Like You pas in de aftiteling, evenals het hypnotiserende Trust in me van Kaa. Een sublieme zet van de makers want ook de aftiteling is schitterend. Blijf kijken tot het laatste beeld want het loont de moeite. Het Jungle Book in 3D-uitvoering, heel leuk. De militaire mars van kolonel Hathi werd niet weerhouden in de nieuwe versie. Zoals ik al zei, de olifanten zijn geen militairen meer in de nieuwe versie.

Toch heb ik één fundamentele kritiek op deze versie: het is geen kinderfilm meer. Tenminste niet voor jonge kinderen. Was de versie van 1967 voor kijkers van 2 tot 92 jaar dan is deze versie niet geschikt voor kinderen van jonger dan 6 jaar. Het gaat er allemaal veel heftiger aan toe. Shere Kahn, die in de versie 1967 meer weg had van een geniepige Frostie-tijger, is nu een wrede agressieveling. Met mijn beschrijving van King Louie hebt u al begrepen dat hij geen gezellige ‘swingende’ aap meer is maar eerder een duister onderwereldfiguur die je de daver op het lijf jaagt. Ik vrees dat grote kindervriend Walt Disney het hier wel moeilijk mee zou gehad hebben. Enkel Bagheera de intelligente zwarte panter en Baloo de gezellige dikke beer hebben hun aaibaarheidsfactor behouden. De wolvenroedel ook uiteraard, vooral de pups zullen menig meisjeshart doen smelten. Het zijn vooral de figuranten die het ‘warmebuikgevoel’ terug in de film brengen. De ganse tijd lopen er heel wat beestjes door het beeld in een bijrol maar die het geheel een grappige ondertoon bezorgen. Ook weer meesterlijk animatiewerk trouwens. Dan zou ik nog bijna het schitterend acteerwerk vergeten van het enige personage van echt vlees en bloed in deze film. Mowgli wordt gespeeld door een twaalfjarig jongetje Neel Sethi. Een natuurtalent die hiermee zijn filmdebuut maakt en hopelijk gaan we nog van hem horen. U hebt het begrepen, al mijn twijfels waren al na vijf minuten weg. Dit is een schitterende film, een meesterwerk in het animatiegenre. Mijn boodschap voor alle ouders en vooral ook de grootouders: trakteer uw hartendiefjes op een middagje Jungle Book, bij voorkeur in de 3D-versie. U zal er zelf ook veel plezier aan beleven en wellicht -net zoals ik- twee uur genieten van een warm bad nostalgie.



Biddende handen

Op de derde dag van onze trip door het land van de rijzende zon bezochten we de stad Kanazawa, een oude nederzetting uit de Edo-periode. Hier bezochten we eerst een traditionele Japanse tuin, de Kenroku-en, een van de drie grote en meest bekende tuinen in Japan. De tuin dateert van 1620 en is een staaltje van Edo-tuinarchitectuur. Met haar oudste fontein van Japan, haar tweebenige stenen lantaarn en haar oude theehuisje straalt deze tuin van eeuwenoude traditie. Met een wandeling door het Chaya district, de wijk van de geisha’s, en door het Nagamachi district, die van de samoerai’s, rondden wij deze wandeling door de Japanse geschiedenis af. Kanawaza telt nog heel wat traditionele samoeraiwoningen. Ze zijn echter vandaag allemaal door particulieren bewoond en daardoor niet te bezichtigen. Geisha’s kom je op straat amper tegen. Om die te ontmoeten kan je best naar een (toeristische) voorstelling gaan, na eerst de nodige yens op tafel te hebben gelegd.
Dan wachtte ons een verrassing. In Tonami bezochten we een mini-Keukenhof, een tulpenkwekerij. Daar moet je voor naar Japan reizen om Hollandse tulpen te zien. Hollandse? Nee nee, Antwerpse tulpen! Lees anders dit artikel maar eens eerst.

Het hoogtepunt van de dag was een bezoek aan het bergdorpje Shirakawa-go. Dit dorp werd uitgeroepen tot UNESCO-werelderfgoed omwille van haar traditionele gasshō-huizen. De naam gasshō betekent biddende handen en verwijst naar de hoge puntdaken in een hoek van 60°, volledig bekleed met riet. Wanneer Japanners bidden dan houden ze beide handen gestrekt, de vingers gesloten bijeen, tegen elkaar voor het aangezicht. De huizen werden volledig opgetrokken in hout, stro en bamboe en er komt geen spijker aan te pas. Alles wordt vakkundig met touwen en knopen bij elkaar gehouden en wanneer het dak moet vervangen worden dan werkt het hele dorp hieraan mee. Meer dan tweehonderd vrijwilligers steken dan de handen uit de mouwen. Van de oorspronkelijk 1.800 huizen blijven er vandaag nog maar 150 over en hopelijk helpt het UNESCO-statuut om deze pareltjes van bouwtechniek te bewaren. Op het eerste zicht heeft het iets Bokrijk-achtigs maar hier zijn bijna alle huizen nog bewoond, op drie na. Enkel die drie zijn te bezichtigen. Ze geven een concreet beeld van de bijzondere architectuur en hoe de mensen er leven. Shirakawa-go is een levendig dorp en geen openluchtmuseum.



Na deze wandeling door de geschiedenis van Japan hebben we overnacht in een traditionele ryokan, in een tatamikamer. Wij kennen de tatami vooral als de judomat maar het is eigenlijk de gewone vloerbekleding van een traditionele Japanse kamer en wordt ook als oppervlaktemaat gehanteerd. De grootte van een kamer wordt uitgedrukt in het aantal tatami’s dat in de kamer ligt. In een tatamikamer gebeurt alles ‘platvloers’, om het met een boutade te zeggen. Je zit op de tatami aan de tafel op een stoel zonder poten en je slaapt ook op de mat, op een dun matrasje, een futon genoemd, en onder een warm dekbed dat door het hotelpersoneel na het avondmaal voor je gespreid wordt. Wees gerust, je slaapt als een roos op zo’n tatami. De Japanse hotels, zelfs de heel eenvoudige, zijn ultra net en comfortabel. Ze zijn ook steeds goed voorzien. Eigenlijk hoef je maar weinig mee te brengen. Was- en scheergerief, pantoffels en kimono… het is er allemaal aanwezig. Daarbovenop een toilet met verwarmde wc-bril en ingebouwde elektronisch gestuurde bidet. Alleen de badkamer voelt voor een westerling, vooral met een Bourgondisch volume als ik, een beetje nauw aan. Ik vraag me af hoe ze hun sumo-worstelaars er in krijgen. Niettemin heb ik genoten van de comfortabele accommodaties.

Het is bekend dat de Japanse keuken bij mij hoog in het vaandel staat. Die is veel meer dan alleen maar sushi en sashimi of dan show cooking op de teppanyaki. De Japanse keuken is de voorloper van onze nouvelle cuisine. Een diversiteit aan kleine hapjes, vakkundig bereid en met een streling voor het oog opgediend. Zelfs een doodgewone lunchbox, een bento, ziet er aantrekkelijk uit en zit vol heerlijke snacks. Ik ben verzot op sushi en sashimi maar wat ik ook erg lekker vind is het éénpansgerecht sukiyaki. Dit is een stoofpannetje van groenten, tofoe, noedels en enkele dunne plakjes vlees dat je allemaal samen enkele minuten in een zacht-zoetzure soep laat smoren. Heerlijk! Wat je in de Chinese keuken amper vindt is hier wel veelvuldig te vinden: currygerechten. De Japanse curry’s zijn voortreffelijk. Er zijn drie dingen die het Japanse culinaire spectrum gemeen heeft met België: bier, koffie en chocolade, al is die hier wel behoorlijk duur.

Op de vierde dag trokken we door het Chubu-Sangaku National Park in Kamikochi, een tocht door de Hida-Alpen. Deze bergen kunnen de vergelijking met onze Europese Alpen volledig doorstaan al zijn er wel varianten in fauna en flora. Dit is het gebied waar de befaamde sneeuwaapjes leven, de enige apen die niet in warm (sub)tropisch klimaat leven. Ze hebben van de schepper dan ook een stevige wintervacht gekregen. Ze doen zich graag te goed aan het warm water in één van de vele onsen die er zijn. Een onsen is een warmwaterbad met water uit een geiser. Japan is rijk aan geisers.

Na deze wandeling in de natuur deden we nog even de stad Takayama aan al zou ik dit eerder een pitstop noemen. Ook Takayama straalt Japanse traditie uit maar is vooral bekend van de nabijgelegen bierbrouwerij Asahi. Het is algemeen geweten dat ik graag van een smakelijk pintje proef, ik ben tenslotte een goede Belg. Van de niet-Europese bieren staan de Japanse bij mij op nummer één, mijlen voor op de rest zelfs. Sapporo, Asahi of Kirin, ik lust ze alle drie even graag vooral omdat ze een rijke volle moutsmaak hebben. Geen flauwe dorstlessers zoals het Chinese Qingdao-bier of -erger nog- zoals een Heineken, Hollandse zeik die je over de ganse wereld kan vinden.

Daarmee waren we terug in Nagoya beland. Tijd om de vrouwtjes ook eens wat te gunnen en te shoppen al was het eerder window-shoppen. Maar wees gerust: ik heb geen Toyota gekocht. Het allereerste model van Toyota op de Europese markt, de Toyota Crown, ondertussen al 60 jaar oud, is hier nog steeds het meest succesvolle model. Bij ons is hij zo goed als uit het straatbeeld verdwenen. De veertiende generatie, eveneens in hybride-versie te verkrijgen, werd hier kort geleden uitgebracht en er bestaat een enorme wachtlijst voor.
De dag daarna restte ons enkel nog de terugvlucht naar Taipei en lieten we Japan achter ons maar we keerden wel terug met een valies vol mooie herinneringen.

Ik sluit af met een Nippon-wiki. Waar haalde Japan de naam ‘land van de rijzende zon’? Die kreeg ze van Japanse geleerden die in China studeerden ten tijde van de Tang-dynastie (7e-10e eeuw). De Japanse taal adopteerde in die periode veel leenwoorden en karakters uit de Chinese taal. China beschouwt zich al eeuwenlang als het midden van de wereld. China in het Mandarijn is Zhōng guó 中國 wat letterlijk ‘rijk in het midden’ wil zeggen. Ten oosten van China ligt Japan en die noemen ze vandaag in het Mandarijn Rì běn (guó) 日本(國) wat staat voor ‘(land van) oorsprong van de zon, zonsopgang’. Guó 國 (land) wordt echter wel weggelaten. Rì 日 is Mandarijn voor zon. In het Japans werd Rì běn 日本 vertaald tot Ni hon of Nip pon にっぽん. Weet dat de Mandarijnen de R bijna niet uitspreken, hoogstens met een zachte gehemelteklank. Ten tijde van Marco Polo werd Rì běn guó 日本國 uitgesproken als Chi pan gu, het achtervoegsel gu (land) is er achteraf afgevallen. De Portugese zeevaarders in de 16e eeuw interpreteerden dit als Chapan en daar komt dus ook onze benaming Japan van. De Japanners noemen hun land Nippon en de Chinezen noemen het Rì běn, wij noemen het Japan maar we bedoelen wel alle drie hetzelfde: het land van de rijzende zon.


Klik op een foto voor vergroting en slideshow
(afhankelijk van uw besturingssysteem of browser dient u de foto’s manueel door te klikken)

Hiroshige achterna

Ik had het al in vorige blogartikelen laten ontvallen. Ons verblijf in Taiwan werd afgesloten met een weekje toeren in Japan. Alhoewel Japan een van mijn favoriete bestemmingen is hier in Azië is het toch alweer van 2009 geleden dat we hier op bezoek waren. Toen kwamen we hier om vooral de pracht van de Japanse kersenbloesems, de sakura’s, in en rond Kyoto en Osaka bewonderen. Die foto’s kan je hier nog eens terug bekijken. Deze keer vertrokken we voor een rondreis van een week door het Alpijns hooggebergte in de prefecturen van Gifu, Toyama en Ishikawa. Ah daar, hoor ik u nu zeggen. Het is een gebied in het centrum van het land. Om u beter te kunnen oriënteren heb ik de plaatsen die we bezochten op de kaart aangeduid met een sterretje.

Onze excursie begon met een vlucht van Taipei naar Nagoya, een vlucht van net geen drie uur. Ik ben mijn favoriete vliegtuigmaatschappij EVA AIR even ontrouw geweest want we vlogen deze keer met die andere Taiwanese maatschappij China Airlines, het was dan ook een georganiseerde groepsreis. Nagoya is de vierde grootste stad van het land van de rijzende zon en is vooral bekend als de thuishaven van autofabrikant Toyota. Nagoya heeft de grootste haven van Japan en onderhoudt vriendschapsbanden met haar zusterstad en -haven Antwerpen. Japan is niet alleen een van de duurste landen ter wereld, het is ook een van de properste en veiligste landen ter wereld en het land excelleert in organisatie en discipline. Maar het is tegelijk ook een land met een angstwekkend hoog cijfer in de zelfmoordstatistieken ingevolge de veeleisendheid van de maatschappij aan het individu.

Veel tijd om aan ‘cityseightseeing’ te doen in Nagoya was er (nog) niet want we vertrokken al gauw de wilde natuur in naar de Ena Canyon, een vallei die werd gecreëerd door erosie van de Kiso rivier. Tijdens een mini-cruise op deze rivier gleden we langs steile klippen en massieve rotsen. De weergoden lieten ons even in de steek want de regen viel er met bakken uit. Daarna kwamen we in de voetsporen van mijn favoriete Japanse kunstenaar Ando Hiroshige. Over deze kunstenaar had ik het al eens in mijn blogartikel van 19 maart 2011: Japan gezien door de ogen van Ando Hiroshige. Dit artikel handelde over zijn landschapstekeningen van de 53 halteplaatsen van de Tōkaidō. Naast deze Tōkaidō bestond er ook nog een alternatieve route van Edo naar Kyoto, namelijk de Kiso-kaidō die uit 69 halteplaatsen bestond en ook die werd door Ando Hiroshige in landschapstekeningen vereeuwigd. Wij hielden even halt in het stadje Magome langs deze historische route en volgden een stukje de antieke Kiso-kaidō in de voetsporen van Hiroshige. Je voelt je langs dit parcours weer helemaal in het Edo-tijdperk en verwacht elk ogenblik een Shogun tegen het lijf te lopen. Het is april en dan toont de natuur zich op haar mooist. De bloesems maken het plaatje alleen maar mooier. Een overnachting in een traditionele ryokan en een al even traditioneel en overheerlijk kimono-diner… watashi We Li San voel me helemaal zen.


Klik op een foto voor vergroting en slideshow
(afhankelijk van uw besturingssysteem of browser dient u de foto’s manueel door te klikken)

De tweede dag trokken we het hooggebergte in. We volgden nu de Tateyama Kurobe Alpine highway. Een indrukwekkende tocht over het dak van Japan. De Tateyama (de Tate berg) wordt samen met de Fujiyama en de Hakuyama tot de drie heilige bergen van Japan gerekend. In deze regio valt in de winter de grootste hoeveelheid sneeuw per vierkante meter van gans de wereld. Zoveel zelfs dat de bergpas tussen eind november en half april gesloten is. Deze weg is dus amper een week terug open. Een warme parka is ten zeerste aanbevolen en zo had ik er nog een liggen uit een vroeger leven, in monotoon koningsblauw zonder reclameopschriften en van echte Goretex. Die kwam dus goed van pas. Begin april begint een peloton sneeuwruimers aan het vrijmaken van de weg die onder een pak sneeuw van tussen de 5 en de 20 meter bedolven ligt. Zij doen deze karwei GPS-gestuurd want van de weg zelf valt niks meer te bespeuren. Als hun karwei af is dan hebben zij de beroemdste toeristische winterattractie van Japan gecreëerd. Tussen medio april en eind juni komen hier duizenden toeristen afgezakt voor de 37 kilometer lange Alpijnse route tussen Toyama en Omachi. Het duurt tot eind juni eer de sneeuwmassa volledig gesmolten is. Deze route vergt zeven verschillende verplaatsingsmiddelen om het tweeduizend meter hoogteverschil tussen vertrek- en aankomstplaats te overbruggen. Een unieke excursie, enig op de wereld.

We starten onze uitstap aan het basisstation Ogizawa aan de kant van Omachi op 1.433 meter. Daar moet je op een trolleybus die je door een 6,1 kilometer lange tunnel voert. Dan kom je aan bij de Kurobe dam die je te voet oversteekt, een kleine wandeltocht van 15 minuten. Vervolgens brengt de Funicular Kurobe Car je tot op 1.828 meter. Dan neem je de Daikanbo Cable Car die je naar een hoogte van 2.316 meter brengt. Daarop volgt een tweede rit met een trolleybus. Die brengt je tot op het hoogste punt op 2.450 meter. Dan volgt een 23 kilometer lange busrit naar beneden met de Highland bus. Deze bus loodst je langs een slingerend pad en langs een witte sneeuwmuur die werd gevormd door de uitgravingen van de bulldozers. De muren hebben een hoogte van tussen de 5 en de 20 meter. Je kan die sneeuwmuur eerst een stuk te voet aflopen vooraleer je op de bus naar het dalstation stapt. Een unieke belevenis. Het is al laat in april en er valt zelfs nog een beetje verse sneeuw. Het eindpunt van deze bus ligt op 977 meter hoogte. Tot slot nog een laatste rit, nu met de Tateyama Funicular Car tot het dalstation van Tateyama op 475 meter hoogte. Deze excursie neemt een ganse dag in beslag. Het is hoogseizoen en je kon dan ook overal op de koppen lopen. De Japanners leiden deze massa, met hun gekende zin voor discipline en organisatietalent maar steeds extreem vriendelijk en dienstvaardig, perfect in goede banen. Ik heb voor deze ‘sneeuwtocht’ maar één woord: adembenemend !


Klik op een foto voor vergroting en slideshow
(afhankelijk van uw besturingssysteem of browser dient u de foto’s manueel door te klikken)

highlights_top



Antwerpse smaken … friet met cervela

Om te beginnen: neen, de friet werd niet in Antwerpen uitgevonden en neen, de cervela ook niet. Toch is de combinatie friet met cervela van Antwerpse origine. Het is quasi zeker dat Antwerpen de eerste plaats was waar dit gerecht werd geserveerd. Je kan het zo gek niet bedenken of het werd wel ergens aan een Vlaamse universiteit wetenschappelijk onderzocht en dat was ook het geval met de geschiedenis van het frietkot.

Er zijn veel Vlaamse steden en gemeenten die pretenderen dat zij de eerste waren waar een frietkot werd neergepoot maar tot nu toe is het oudste bewijs dat kon geleverd worden dat van Antwerpen, waar al in 1842 een frietkot stond op het Burchtplein (vandaag Steenplein). Er staat vandaag nog steeds een frietkot op het Steenplein, een van de weinige plaatsen waar je nog een echt frietkot vindt in de koekenstad  want het merendeel van frituren zijn tegenwoordig in een gebouw ondergebracht. Er zijn er nog wel enkelen maar ze worden zeldzaam. Het frietkot op het Steenplein is natuurlijk niet dat van 1842 want dat verhuisde later, omwille van de werken voor het rechttrekken van de kaaimuur, naar de Groenplaats. Vandaag staat er geen frietkot meer op de Groenplaats maar er is nog wel een frietmuseum met annex frituur Max. De eetcultuur van het frituren van aardappelen komt uit Frankrijk, wat wellicht de Engelse benaming french fries verklaart. De techniek van het bakken van etenswaar in hete olie komt zonder twijfel uit het oude China. Wat wel zeker is, is dat de eerste frietkramen op de kermis verscheen. Het betrof dan een kraam waar zowel frieten als smoutebollen en andere zoete en zoute lekkernijen gebakken werden zoals we die vandaag ook nog wel tegenkomen op onze kermissen. Maar deze kramen waren niet sedentair en reisden, zoals het foorkramers past, het land rond. De benaming friet en friterie (Frans voor frietkot) is afkomstig van Jean Frederic Krieger met de roepnaam Fritz, de zoon van een Duitse kermiskramer, die in Friture Fritz zijn gefrituurde aardappelschijven aan de man bracht op een Parijse kermis. Dit verklaart ook waarom de Duitsers de frieten pommes noemen. Les Fritz, zoals de Parijzenaren deze snacks noemden werd later verbasterd tot frites. De kraam en het fornuis waarin ze gebakken werden was een friture. Het verkleinen van aardappelschijven tot stokjes was wellicht om de baktijd korter te maken en dus sneller te verkopen. Het frietkot als sedentaire eetbarak waar je specifiek terecht kon voor een snelle hap dateert dus uit de 19e eeuw in Antwerpen.

De cervela dat is dan weer een heel ander verhaal. Het woord cervela komt van het Latijnse woord voor hersenen, cerebrum. Dit verraadt al direct waar de eerste cervela’s van gemaakt waren, nl. van varkenshersenen. Gedroogde worsten van varkenshersenen was al in de middeleeuwen een specialiteit uit Milaan waar ze in het Milanees dialect zervelada werden genoemd. In de boeken van de Franse humanist François Rabelais wordt al over de cervela gesproken. Mogelijk is de cervela via de renaissancekunstenaars die naar Italië reisden in onze contreien terecht gekomen. De cervela werd vooral populair in Zwitserland en in de Elzas (dat voorheen tot Duitsland behoorde) en ook in streek rond Lyon. De Duitsers noemen een cervela vandaag nog vaak ein Lyoner. In Zwitserland is de cervela een nationaal symbool dat zeer specifiek op hun nationale feestdag, 1 augustus, massaal wordt verorberd. Ik was dan ook zeer verbaasd te moeten lezen dat de cervela van Zemst in 2013 werd erkend als ‘Vlaams’ streekproduct. De Zemstse fabrikant mag dan misschien wel goede cervela’s maken, de cervela komt helemaal niet uit Zemst, zelfs niet uit Brabant of uit Vlaanderen. Kriekbier of witloof, dàt is een Brabants streekproduct maar cervela’s, komaan zeg.

Friet met cervela is in ons land dè oersnack. De Antwerpse origine vinden we zelfs terug in het Brusselse restaurant Chez Léon. Dit vermaarde restaurant, in de al even vermaarde Kleine Beenhouwersstraat in Brussel, staat internationaal bekend om haar traditionele Belgische gerechten. Maar wist u ook dat de stichter Léon Vanlancker zijn eerste zaak in 1867 begon op de Brusselse Grote Markt onder de naam Friture à la ville d’Anvers chez Léon? Misschien was die naam commercieel gezien wel iets te lang maar het is toch jammer dat de verwijzing naar de Antwerpse origine is weggevallen. Vandaag bakt Léon wereldwijd Belgische frieten. Op de wereldtentoonstelling van Shanghai in 2010 stonden er dagelijks ellenlange files voor onze nationale delicatesse.

Het frietkot is een typisch Belgisch fenomeen. Je vindt er nog wel hier en daar eentje in het zuiden van Nederland of in het noorden van Frankrijk maar je vindt ze vooral in ons landje. Het eerste frietkot mag dan wel in de koekenstad gestaan hebben, het werd niet direct een hype. Buitenshuis eten, zelfs in een low budget tent als een frietkot, was in die tijd niet weggelegd voor Jan-met-de-pet. Die vond de weg naar de frituur pas na de Eerste Wereldoorlog maar de succesjaren van het Belgische frietkot lagen tussen de jaren 30 en 80. Vanaf de jaren 80 begon het frietkot zware concurrentie te krijgen met andere snelle-hap-tenten. De pizza, de pita, de hamburgertenten en de broodjeszaken verdreven de frituur van haar monopolie. In de frituur zelf trachtte men deze concurrentie te beantwoorden door het aanbod te verbreden. Tot in de jaren 60-70 kon men in een frituur bij een pak frieten kiezen uit mayonaise, pickles, tartaarsaus, stoofvlees of ajuintjes en als bijlage: een cervela, een boulet, een pekelharing, zuur mosseltjes of een hardgekookt ei. Dat was het. Vandaag heb je al een half uur nodig om de kaart te lezen of de grote vitrinetoog af te scannen. Dit was dan ook een van de oorzaken waarom de frietkoten in barak of caravan op een plein of aan de straatkant verdween. Maar de belangrijkste reden waarom frietkoten meer en meer de gebouwen opzochten waren natuurlijk de strengere reglementeringen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en inzake voedselhygiëne. Na de eeuwwisseling kregen we zelfs een nieuwe trend: de frietchinees. Chinezen lieten de chop-shoy voor wat het was en namen één voor één een frituur over. De frieten gingen back to the roots dus.

Het eerste wat ik doe telkens ik terug uit Taiwan ben is een frietje gaan steken en jazeker… met een cervela. Nog twee weken en dan is het zover, zaterdag 30 april keer ik terug huiswaarts. Vandaag staan we gepakt en gezakt klaar voor een 5-daagse uitstap naar Japan, dit verhaal inclusief culinaire escapades krijgt u later.
Als de Duitse Bondskanselier Angela Merkel naar Brussel komt vergaderen weet ze ook wel wat ze daar moet gaan eten. De eerste snack nog steeds een crack, de cervela is nog steeds tot mijn favoriete frituursnack. Rauw met mosterd want een cervela is bereid vlees dat moet je niet meer bakken of verwarmen. De cervela vandaag wordt niet meer van hersenen gemaakt maar van zuiver varkensvlees en geloof me vrij het is de enige frituursnack waar nog zoveel vlees in verwerkt wordt. Wat er in een kipcorn, een mexicano of een berenpoot zit wil je zelfs niet weten.

Vivan bomma, patatten met saucissen en daarbij … klik op de cervela (klik op de cervela)



It takes two to tango

Soms moet je gewoon een beetje geluk hebben om dingen tegen te komen die je anders misschien nooit zou leren kennen. Een maand geleden stond er op de Facebookpagina van het Belgian Office Taipei een oproep om gratis tickets te winnen voor een dansoptreden. Like en share was de eenvoudige opdracht en ja hoor, enkele dagen later kregen we te horen dat we bij de gelukkigen waren.

Het optreden ging door in de het indrukwekkende National Theatre naast het Chiang Kai-Shek Memorial Hall. Het betrof een voorstelling van de show M¡longa van de Antwerpse choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui in kader van het jaarlijkse Taiwan International Festival of Arts, een project dat te vergelijken valt met ons Festival van Vlaanderen. Sidi Larbi Cherkaoui is de zoon van een Antwerpse moeder en een Marokkaanse vader. Hij is sinds 1 september jl. ook artistieke leider van het Ballet Vlaanderen. M¡longa is een dansvoorstelling die volledig op de traditionele Argentijnse tango gebaseerd is. Diep geworteld in de Argentijnse cultuur, heeft tango de wereld steeds gefascineerd en geboeid met zijn sensualiteit, macht, schoonheid en mystiek. Ik moet toegeven dat ik meteen van mijn stoel geblazen werd door de kwaliteit van dans, muziek en verbluffende videoprojecties. Dit was duidelijk topniveau. Ik had al wel eens heel goede Argentijnse dansgroepen bezig gezien op het volksdansfestival van Schoten of Edegem maar die vielen in het niet bij deze voorstelling. Ik sta zeker niet bekend als een dansfanaat en waag mij zelf nooit op een dansvloer maar dergelijke optredens spreken mij zeker aan. De virtuositeit maar ook de sensualiteit droop eraf, om duimen en vingers af te likken. Een ongelooflijk getalenteerde cast van zes danskoppels, bestaande uit tien tangodansers uit Buenos Aires en twee dansers van het noordelijk halfrond, en een tangoband van vijf muzikanten gaven hier anderhalf uur het beste van zichzelf, kunst van de bovenste plank. Dit allemaal onder het toeziend oog van de Antwerpse dansgrootmeester Sidi Larbi Cherkaoui.

Daar moet je dan voor naar de andere kant van de wereld reizen om een topchoreograaf van eigen bodem, uit eigen stad zelfs, aan het werk te zien. Met welgemeende dank aan onze Belgische vertegenwoordiging in Taipei. Van een geslaagde namiddag gesproken.



Trailer M¡longa

Beestig Hong Kong

Het is bekend dat Hong Kong (ik schrijf het in dit artikel op zijn Engels) tot mijn favoriete bestemmingen behoort voor een citytrip. Deze keer ben ik op exploratietocht geweest in het ‘oude’ Hong Kong. Hong Kong S.A.R. (wat staat voor Special Administrative Region of the People’s Republic of China) is een regio die uit drie grote delen bestaat. Buiten Hong Kong Island heb je nog het schiereiland met Kowloon en New Territories. Tussen het eiland en het schiereiland ligt de zee-engte Victoria Harbour, na jaren van landwinning vandaag bijna herleid tot een kanaal. Daarnaast behoren nog een hele boel kleinere eilanden tot Hong Kong, waarvan Lantau Island met haar luchthaven, haar reusachtig Boeddhabeeld en haar Disneyland, niet alleen het grootste maar ook het bekendste en meest bezochte eiland is. Hong Kong Island is het gebied waar nog de meeste sporen te vinden zijn van het Britse koloniale verleden van Hong Kong. De 19e en de 21e eeuw lopen er hand in hand. Toen de Britten het eiland in 1842 in handen kregen en er een Kroonkolonie van maakten leefden er amper zeven duizend mensen in de ‘geurige haven’, wat het Nederlandstalig equivalent is voor Hong Kong (香港 Xiānggǎng). Vandaag is het een wereldmetropool met meer dan zeven miljoen inwoners. Hong Kong staat in de top-drie van de duurste steden van de wereld maar prijkt tegelijk op de eerste plaats van veilige landen (n.b. België staat op de twintigste plaats wat ook niet onaardig is).

Een geurige haven, dat betekent ook een rijke (water)fauna en daar begint ook mijn exploratietocht … met een bezoek aan Ocean Park. Ocean Park ligt aan de zuidkant van het eiland, vlakbij de haven van Aberdeen, en is vlot bereikbaar met het openbaar vervoer vanuit het centrum van Hong Kong. Het is een mix van een pretpark en een dierenpark. Vooral de gigantische aquaria zijn de publiekstrekkers van het dierenpark. Het grote aquarium heeft een glazen wand van 68 cm dikte en er zwemmen o.a. enkele prachtige reuzenmantas in rond. Verder is er een aquarium met haaien maar mijn aandacht ging vooral naar de cilindervormige aquaria met kwallen, de grootste verzameling kwallen in aquaria ter wereld. Het was zelfs de eerste keer dat ik deze neteldiertjes in levende lijve heb zien zwemmen. Ik kwam ze in het verleden alleen maar tegen als platte smurrie op het strand of als treiteraars die je onzichtbaar in het troebele Noordzeewater een venijnige steek toebrachten. In de zoetwaterafdeling trekken vooral de goudvissen en de brokaatkarpers, bij ons ook gekend als koi, mijn aandacht. Maar Hong Kong ligt in China en wie China zegt, zegt pandaberen. Ook die zijn in Ocean Park te bewonderen. Zowel de zwart-witte reuzenpanda, symbool van het Wereldnatuurfonds, als de iets minder populaire rood-bruine kleine panda verblijven hier. Als toemaatje vind je hier ook een arctisch paviljoen. Een gigantische diepvrieshangar met pinguïns. Pinguïns in een subtropisch gebied, het klinkt paradoxaal maar als je er over nadenkt: Hong Kong ligt uiteindelijk wel dichter bij de Zuidpool dan België.

Na mijn bezoek aan Ocean Park trok ik naar het oude stadscentrum. Mijn wandeltocht begon aan de Western Market in de wijk Sheung Wan. Van daaruit over Des Voeux Road en Bonham Strand, twee straten waar ook weer beestjes in de kijkers staan maar deze keer gaat het over gedroogde exemplaren. Des Voeux Road is bekend voor haar vele handelszaken in gedroogde zeedieren. Vis en visorganen, haaienvinnen, schelpdieren, octopussen, zeesterren, zeepaardjes … je kan het hier allemaal verkrijgen in gedroogde vorm. Het drogen van etenswaar was de ideale methode om deze etenswaren langdurig te kunnen bewaren in een tijdperk toen er nog geen ijskasten of diepvriezers waren. In Bonham Strand zijn het vooral vogelnestjes en ginseng die aan de man gebracht worden. Mijn tocht gaat verder via de Hollywood Road (niks te maken met de Californische filmstad) naar de oude Taoïstische tempel van Hong Kong, de Man Mo Temple. Op Hollywood Road zijn tal van winkels in antiek en curiosa. Al zijn sommigen wel van bedenkelijk allooi. Buiten traditioneel Chinees antiek worden er ook zaken aan de man gebracht die eigenlijk wereldwijd verboden zijn ingevolge de Conventie van Washington omdat ze de fauna bedreigen. Ivoor afkomstig van de olifant, de hoorn van de neushoorn maar ook de penis van de tijger worden hier schaamteloos in de vitrine gezet. Dat deze handelaars boter op hun hoofd hebben weten ze maar al te goed want op elke vitrine hangt goed zichtbaar een verbodswaarschuwing om te fotograferen of te filmen. Het is natuurlijk hetzelfde verhaal als met de haaienvangst enkel voor de vinnen. Chinezen trekken zich niks aan van de rest van de wereld noch van enige internationale Conventie. De handel draait goed want zij geloven in alles wat de natuur oplevert en de mens zogezegd ten goede komt op het vlak van gezondheid, schoonheid of potentie. Als we er de Chinezen van zouden kunnen overtuigen dat verpulverde kloten van jihad-strijders potentieversterkend zijn dan zijn morgen al onze problemen opgelost.

Ik was ondertussen in de wijk Central geraakt en daar wandelde ik door de een van de uitgangswijken van Hong Kong: Soho, naar de gelijknamige uitgangswijk in Londen. Hier valt vooral het multiculturele karakter van Hong Kong op. Eettentjes in alle geuren en kleuren. Een Engelse pub naast Indische tandoori, Marokkaanse tajine, Spaanse tapas of Afrikaanse moambe. Koosjer of hallal, zoetzuur of pikant … u noemt het maar: het is er te vinden. Zelfs Belgische frieten en bier. Iets verderop ligt het Central Mid-levels escalator and walkway system, het langste overdekte rolvoetpad ter wereld, opgetrokken in 1993. Het overbrugt langsheen Cochrane Street en Shelley Street over 800 meter een hoogteverschil van 135 meter tussen Connaught Road Central en Conduit Road. Het is een mooi voorbeeld van mobiliteitsvisie. Dagelijks maken zo’n 85.000 voetgangers gebruik van deze infrastructuur en houden hierdoor heel wat voertuigen uit het overdrukke stadscentrum. Mobiliteit is een belangrijk thema in Hong Kong. Een metronetwerk dat nog steeds wordt uitgebreid en een efficiënt busnetwerk van typische Engelse dubbeldekkers staan borg voor adequaat openbaar vervoer maar ook de 19e eeuwse Star Ferry tussen Hong Kong en Kowloon levert nog steeds haar bijdrage en is alles behalve alleen maar een toeristische attractie. Dat is trouwens ook het geval voor de tramlijn op Hong Kong Island. Langsheen Victoria Harbour over een afstand van dertien kilometer tussen Kennedy Town en Shau Kei Wan rijdt nog steeds een oude Engelse dubbeldektram. Zo’n tramrit is een belevenis op zich en vanop het bovendek heb je een uitstekend uitzicht op de mierennest van mensen die Hong Kong is en op de oude steile straatjes die vanuit de haven naar de hoger gelegen heuvels lopen. Hong Kong mag dan wel tot de duurste steden van de wereld behoren, een tramrit kost je amper 2,30 HK$, zegge en schrijve 0,25 eurocent. Nadat ik het oude politiecommissariaat van Hong Kong passeerde kwam ik via Wyndham Street in Duddell Street uit. Hier kun je nog een stukje straatmeubilair uit de 19e eeuw bewonderen, de nog steeds werkende gaslantaarns. Aan de trappen van Duddell Street staan nog vier authentieke gaslantaarns. Deze openbare verlichting op gas is geen unicum in de wereld maar wel in het Verre Oosten. Voor nog werkende gaslantaarns moet je ofwel in Berlijn zijn, waar er nog enkele honderden in het straatbeeld aanwezig zijn, ofwel in Engeland of de Verenigde Staten. Duddell Street en haar gaslantaarns in Hong Kong hebben dezelfde aantrekkingskracht als de Spaanse trappen in Rome. Jonge koppeltjes komen er afgezakt voor een idyllisch moment onder het romantische licht van de ouderwetse gaslantaarns. Ik vond het vooral een interessant staaltje industriële archeologie. Iets verderop passeerde ik Sint John’s Cathedral waar ik eventjes getuige was van een huwelijksinzegening.

Ik eindigde mijn exploratietocht zoals ik ze begonnen was, bij de beestjes. In de Hong Kong Zoological en Botanical Gardens. Dit openbaar park en geïntegreerde dierentuin, geopend in 1871, is gratis toegankelijk voor het publiek. Daarvoor was het de privétuin van de residentie van de Britse Gouverneur van Hong Kong. De dierentuin oogt heel oubollig en voorbijgestreefd, verre van wat je vandaag van een dierentuin mag verwachten. De dieren in Ocean Park zijn alleszins heel wat beter gehuisvest. De dierencollectie is ook zeer beperkt. Een ene deel van het park bevat enkele aviaria en het andere deel wordt vooral bewoond door aapjes. Met een bezoek aan deze ambassadeurs van het Jaar van de Aap werd mijn wandeltocht door het oude Hong Kong afgesloten. Het enige wat mij in dit park kon bekoren waren de twee monumenten, het ene de Memorial Arch als eerbetoon aan de Chinezen die hun leven lieten in dienst van het Britse leger in de beide wereldoorlogen. Er zijn er trouwens ook heel wat gesneuveld in onze Westhoek in WOI. Het andere een bronzen standbeeld van Koning George VI, die in het Driekoningenjaar 1936 (°) tegen wil en dank koning van Engeland en de laatste keizer van India werd (nadat zijn oudere broer Edward VIII aan de troon verzaakte toen hij wou trouwen met een gescheiden Amerikaanse burgervrouw, Wallis Simpson) en die we ook nog kennen van de film The King’s Speech, waarin de Britse acteur Colin Firth een topprestatie neerzette die hem een Oscar opleverde voor zijn vertolking van de stotterende koning.

Los van mijn bedenkingen over dit zoölogisch park houd ik aan mijn exploratietocht door Hong Kong Island wel een supergoed gevoel over. Hong Kong is een stad die mij blijft charmeren.

(°) 1936 wordt in Engeland het Driekoningenjaar genoemd omdat ze dat jaar drie opeenvolgende koningen kenden: George V (die op 20 januari overleed), Edward VIII (die hem opvolgde tot zijn abdicatie op 11 december) en George VI (die op 11 december werd gekroond).


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Ocean Park – Hong Kong

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Hong Kong Island