Rush Hour 60

Jackie ChanHet zou niet juist zijn moest ik in mijn blog niet eenmaal een Chinees in de kijker zetten die geboren is in het Jaar van het Paard en een belangrijke verjaardag viert in het Jaar van het Paard. Die eer is weggelegd voor niemand minder dan filmster Jackie Chan. Geboren in april van het Jaar van het Paard 1954 werd hij deze maand 60, in het Jaar van het Paard 2014, waarmee zijn cyclus van de vijf natuurelementen (hout, vuur, metaal, aarde en water) rond is. Alhoewel 60 een leeftijd is waar velen aan pensioen denken is dit niet het geval met de meest komische van alle kungfu-acteurs.

Kung FuJackie Chan werd geboren in Hongkong -toen nog een Britse kroonkolonie- onder de naam Fang Shilong (Kantonees: Fôong Sie-Long) 房仕龍 en ziet zichzelf als een nakomeling van keizer Fang Xualing, een keizer uit de Tang-dynastie (van 618 tot 908). Zijn ouders werkten voor de Franse ambassade in Hongkong. In de jaren 70 begon Jackie Chan met zingen en werd vooral in Azië bekend als zanger. Na zijn studies aan de Chinese academie voor dramatiek kwam in 1978 Chan’s doorbraak in zijn eerste kungfu-film. Eigenlijk gebruiken wij de naam Kung Fu niet altijd correct. Vaak bedoelen wij wushu-films wanneer we over kungfu-films spreken. Kung Fu 功夫 staat voor vaardigheid, grote concentratie of toewijding terwijl Wushu 武術 staat voor militaire vaardigheid, in de betekenis van verdediging, stoppen of tegenhouden. Als wij aan Kung Fu denken dan rolt al gauw de naam Bruce Lee over de tong. Shanghai NoonOf David Carrradine, die in de 70’s de hoofdrol speelde in een Amerikaanse tv-serie Kung Fu. Beiden begrippen zijn synoniem van elkaar geworden. Met de animatiefilm Kung Fu Panda uit 2008 werd het (verkeerde) beeld van Kung Fu nog versterkt. De Chinezen kennen het verschil wel maar bij ons overweegt vaak het loutere beeld van Oosterse krijgskunst. Evenzo het foute verhaal dat de krijgskunst Kung Fu zou ontstaan zijn in de Shaolin-tempel. De martiale kunsten bestonden al lang voor deze tempel werd gebouwd. Het verhaal van de Shaolin-tempel heeft wel bijgedragen tot de bekendheid van deze discipline maar de ontwikkeling van de vechtsport kwam wel vanuit het leger. Vandaar ook het gebruik van militaire wapens zoals het Kwandao en het breedzwaard.

Chinatown LAJackie Chan voert alle stunts in zijn films zelf uit en dat maakt hem ook zo uniek in de filmwereld. Geheel op eigen risico zelfs want geen enkele verzekeringsmaatschappij wil hem aanvaarden. Hij heeft dan ook al heel wat gebroken botten opgelopen maar de reden waarom hij al zijn stunts zelf uitvoert is volgens hem dat de mensen niet naar een film komen kijken om een stuntman te zien acteren. Hij maakte van kungfu-films een soort slapstick, wat dan weer niet erg geapprecieerd werd door de bewonderaars van de martiale kunsten. Die vonden dat hij hun sport eerder belachelijk maakte. Maar bij het grote publiek vond hij wel bijval. Toen hij in 1985 Police Story draaide, een komische parodie op de Dirty Harry-films, een versmelting van de Amerikaanse politiefilms en Chinese kungfukomedie, raakte hij ook in het Westen bekend. Maar zijn echte doorbraak in de V.S. en ook bij ons kwam er in 1998 met Rush Hour, waar hij samen met Chris Tucker speelde. Het restaurant Foo Chow in Los Angeles’ Chinatown waar opnamen voor Rush Hour werden gedraaid is ondertussen een toeristische attractie geworden. Ook de dimsum-westerns die hij samen met Owen Wilson draaide, Shanghai Noon en Shanghai Knights sloegen aan bij het publiek.

Avenue of Stars HKJackie Chan is zonder twijfel de grootste Aziatische acteur aller tijde en heeft zowel een ster op de Walk of Fame in Hollywood als op de Avenue of Stars in Hongkong. Hij won tal van awards en nominaties maar werd nooit voor een Oscar genomineerd. Naast zijn film- en zangcarrière is hij ook een geslaagd ondernemer en een filantroop. Hij bezit meerder productiehuizen, een eigen kledinglijn, eigen voeding- en restaurantbedrijven en van al zijn bedrijven gaat steevast een percentage van de winst naar de Jackie Chan Charitable Foundation. Deze organisatie gaf al heel wat steun aan noodhulp zoals de aardbeving in Sichuan in 2008, de tsunami in 2004 in de Indische oceaan en in 2011 in Japan. Maar ook de Paralympics, Unicef, hulpbehoevenden en dierenrechtenorganisaties mochten al rekenen op de centen van steracteur Jackie Chan. Reden te meer dat hij in dit Jaar van het Paard wel eens even in de schijnwerper mag geplaatst worden.

生日快樂 房仕龍 – Gelukkige verjaardag Jackie Chan !



Waar is het hoofd van Carnot ?

ABBA - WaterlooIk blijf nog even in 1974 hangen. Op zaterdag 6 april 1974 werd in het Engelse Brighton het Eurovisiesongfestival georganiseerd. In Engeland omdat het winnende land van 1973, Luxemburg, de organisatie ervan niet zag zitten. De uitslag kennen we ondertussen, het was -ondanks een povere opkomst- een legendarische editie want in 1974 won de Zweedse groep ABBA met Waterloo. Legendarisch, niet omdat Waterloo het beste nummer aller tijde op een songfestival was -want dat was immers Eres tu van Mocedades- maar wel omdat deze overwinning de definitieve doorbraak van Agnetha, Benny, Björn en Anni-Frid betekende. Zelfs de hardnekkigste negationist kan niet ontkennen dat ABBA een supericoon in de popgeschiedenis is geworden. Ondanks de magere opkomst was er in 1974 toch deftige concurrentie voor ABBA. In de eerste plaats van het nummer dat tweede eindigde dat jaar. Dat was de mooie Italiaanse deerne Gigliola Cinquetti die met het nummer Si ook al het festival van San Remo had gewonnen en in 1963 ook al eens het Eurovisiesongfestival op haar naam schreef. Maar alle ogen waren vooral gericht op het organiserende land zelf dat niemand minder dan Olivia Newton John met het nummer Long live love in de arena stuurde maar met een ontgoochelende vierde plaats genoegen moest nemen, dan nog in ex-aequo met de dwergstaten Luxemburg en Monaco. Over Olijfje had ik het al eens in mijn artikel Vettige boel. De derde plaats was in 1974 weggelegd voor ‘een groot bakkes’ uit Nederland (zijn er daar ook anderen dan ?), nl. Mouth and McNeal met met nummer Ik zie een ster. Een flinke kater in 74 ook voor de Duitsers die een gerenommeerd schlagerduo zonden, Cindy und Bert (weet u nog… die van Immer wieder Sonntags) maar hun nummer Die Sommermelodie kon de jury niet bekoren en zij eindigden op een roemloze laatste plaats.

Lazare CarnotNu ja, het songfestival was in Engeland te doen en de Fransen waren er dat jaar niet bij, Waterloo was strategisch dus wel een knappe zet van de Vikings maar historisch zit het wel fout met dit nummer en wij Antwerpenaren weten waarom. Op 6 april herdenken wij immers niet de nederlaag van Napoleon in de Slag van Waterloo want die was op 18 juni 1815. Wel die van zijn eerste verbanning naar het eiland Elba waar de Toscaanse zon hem blijkbaar nog minder kon bekoren dan de Siberische sneeuw. Op 6 april 1814, vorige week 200 jaar geleden dus, moest Napoleon de duimen leggen nadat hij de grootste militaire vergissing uit zijn carrière beging, zijnde de mislukte expeditie van zijn Grande Armée op Moskou. Die abdicatie van Napoleon hebben wij in Antwerpen goed aan der lijve ondervonden en dat dankzij zijn gezant in Antwerpen, Generaal Lazare Carnot. Die weigerde zich, ondanks het bevel van de Franse Regent en latere Koning Karel X, over te geven aan de oprukkende Engelse en Hollandse legers en vond er dan maar niks beters op dan de rand van Antwerpen in brand te steken. Hij legde grote delen van het Kiel en van Berchem in as en hij stond op het punt hetzelfde te doen met Borgerhout. Daar kwam hij tot de vaststelling dat de huizen zijn soldaten betere bescherming boden waardoor Borgerhout gespaard bleef. Op 5 mei 1814 heeft Carnot uiteindelijk de stad aan de Engelsen overgedragen. Niet voor lang echter want in 1830 was het hier terug allemaal Frans wat de klok sloeg.

Georges Van Cauwenbergh voor het standbeeld van CarnotToen er in 1865 in Antwerpen een straat naar Carnot werd genoemd hebben er dan ook heel wat Sinjoren de wenkbrauwen gefronst. De Fransgezinde elite van Antwerpen niet te na gesproken natuurlijk. Die ging nog een stap verder en plaatste op het Laar in Borgerhout een groot bronzen standbeeld ter ere van de ‘held’ die Borgerhout had ontzien. Dat standbeeld werd in 1950 verwijderd toen Koning Auto zich meester maakte van de stad. Vanaf dan ontspon zich een mysterieus verhaal waarin Lazare Carnot letterlijk een ‘hoofd’rol speelt. Jaren later wist blijkbaar niemand nog waar het –nochtans flink uit de kluiten gewassen- beeld gebleven was. Het laatste ‘levende’ bewijs was een foto van onze betreurde stadsgids Georges Van Cauwenbergh in 1974 (kan het toeval zijn ?) voor het bewuste beeld. Vanaf dan wordt het nog mistiger. Het beeld zou op een bepaald ogenblik gevallen zijn waardoor het grotendeels vernield werd en enkel het hoofd nog zou overschieten. Een document of geschreven getuigenis hierover is echter nergens te vinden. Enkel het hoofd zou de crash overleefd hebben maar het raakt hopeloos zoek. Tot een wakkere burger het hoofd herkent in de hal van een appartementsgebouw, met name de residentie Carnot in de gelijknamige Carnotstraat. Het staat daar te pronken als herinnering aan de weerbarstige generaal die Borgerhout gespaard heeft maar de gedenkplaat vermeldt één kapitale fout. Er staat namelijk vermeld dat het standbeeld op het Laar vernield zou zijn in de Tweede Wereldoorlog. Hoofd van Carnot in residentie CarnotNiet waar dus want in 1950 stond het standbeeld nog ongeschonden op het Laar te pronken. Verder was er ook nog het verhaal dat het hoofd van Carnot in 2008 aan het MAS werd geschonken. Het MAS was toen nog in aanbouw en de het hoofd zou zich in het Hessenhuis bevinden, waar de ganse MAS-collectie bewaard werd. Onderzoek zou uitwijzen dat het hoofd dat het MAS in bezit heeft een kopie is, evenals het hoofd dat tentoon gesteld staat in de residentie Carnot. Antwerpen blijft dus, net als Gent met hun paneel van het Lam Gods, met een cultureel mysterie zitten. Waar is het hoofd van Lazare Carnot ?

Er zijn maar twee plaatsen in België waar Carnot een straatnaam heeft gekregen, in Antwerpen en in Quaregnon, een gemeente in de achtertuin van Elio di Rupo. In Frankrijk daarentegen is er in bijna elke stad een Rue, Boulevard, Avenue of Place Carnot. Alhoewel het daar niet altijd duidelijk is of zij hiermee de Generaal van Napoleon en topwiskundige-fysicus (Lazare Carnot is ook de grondlegger van de Stelling van Carnot) dan wel zijn kleinzoon Marie François Sadi Carnot, een vermoorde President van de Derde Franse Republiek, willen eren. Laar Borgerhout met het standbeeld van CarnotHoe dan ook in Antwerpen moeten we er niet echt om treuren dat Lazare Carnot ‘onthoofd’ is. Hij heeft hier meer vernield dan opgebouwd. Dat is spijtig genoeg heden ten dage ook het geval met de Carnotstraat. In de Golden Sixties, deels een straat die deel uitmaakte van het levendige uitgangsleven in de stationsbuurt met danspaleizen en de vermaarde cinema Rubens, deels een meubelboulevard met de grote dubbele vitrines van Veduko als blikvanger. Vandaag een verloederde invalsweg met een slechte verkeersdoorstroming, groezelige nacht- en telefoonwinkels en de toegangspoort tot het meest besproken district van Groot-Antwerpen. Negativisten poneren zelfs dat Carnot Borgerhout beter wel had platgebrand maar ik zie het anders. Tja, ik ben zelf een nazaat van een immigrant van Borgerhout, mijn Duitse grootmoeder werd in Borgerhout op de wereld gezet. Lazare Carnot was afkomstig uit Nolay, dat ligt in Bourgondië. Als er nu één overheersing is waarvan wij de levensstijl het meest hebben weten te appreciëren dan is het wel de Bourgondische. Wat zeg ik, Sinjoren zijn nog echte Bourgondiërs. Ik stel dan ook voor dat Antwerps burgemeester Bart De Wever op zondag 25 mei een voettocht begint vanaf de Carnotstraat richting Zuid en dat Premier Elio di Rupo dat ook doet vanaf de Rue Carnot in Quaregnon richting Noord. Ze ontmoeten elkaar dan aan de voet van de Leeuw van Waterloo en roken er samen de vredespijp op muziek van ABBA, bij een Bolleke en een Blonde Leffe.
Mamma Mia !
Duim omhoog LIKE ?


Carnotstraat Antwerpen

Carnotstraat Antwerpen

Geef acht ! – deel 3

April 1974. Naargelang de basisopleiding vorderde begon je ook meer en meer te beseffen dat het leger niet enkel een gestructureerde vechtmachine was maar ook een lerende organisatie. Toch zeker voor ons, de ‘bleukens’. Na bijna twee maanden verblijf in Duitsland mochten we ook voor het eerst genieten van een belangrijke gunst, nl. verlof. Om de zes à acht weken mochten de miliciens bij de BSD genieten van een weekje verlof en even naar huis terugkeren. Einde maart was het onze beurt. Inmiddels waren we ook te weten gekomen wat militaire dienst financieel opbracht. In de eerste zes maanden kreeg je een soldij van 75 oude Belgische franken per dag. Die soldij werd om de twee weken, respectievelijk op de 5e en de 20e van de maand uitbetaald. Na zes maanden dienst werd de soldij verhoogd tot 100 fr. Op maandbasis was dat dan zo’n 3.000 fr. netto. Als je bedenkt dat ik toen in de privé een bruto maandloon van 6.500 fr. had dan was de legerdienst voor mij al bij al niet slecht betaald. Maar er waren er die natuurlijk in de het burgerleven veel beter betaald werden. De uitbetaling van de soldij was voor sommigen het geschikte moment om zich eens goed te laten gaan in de kantine, anderen gingen wat spaarzamer met hun zuurverdiende centen om en hadden de intentie om een spaarpotje aan te leggen tegen het einde van hun term.

Recce jeepNa genoten te hebben van ons gunstverlof werd de opleiding voortgezet. We waren ondertussen op de oefenterreinen van Büecke al goed gevormd in tactische vaardigheden zoals camouflagetechnieken, oriëntatie en kaartlezen, het schatten van afstanden, het aanduiden van doelen en het gebruik van het terrein. Het grappigste onderdeel vond ik wel ‘de sprong’ vooral op de wijze waarop onze sergeant dit toen aanleerde. Ik voelde mij een beetje als een konijn in een schietkraam dat moest proberen de jager te verschalken. Al die oefeningen deden denken aan scoutsspelletjes en de nachtelijke droppings zouden het nog boeiender maken ware het niet dat het in Duitsland deftig kon regenen want dan was de lol er gauw af. Tussendoor kregen wij ook nog wel andere vaardigheden aangeleerd. Niet onbelangrijk was de rij-opleiding. Als milicien genoot je soms het voorrecht om een rijbewijs op kosten van het leger te kunnen behalen. Recce’s moesten met een jeep en met een lichte vrachtwagen overweg kunnen dus hadden wij de kans om een rijbewijs van zowel de categorie B als C te halen, wat aardig meegenomen was. De scholing zelf was vrij streng en behoorlijk doorgedreven. Het theoretisch gedeelte bestond uit kennis van zowel de Belgische als de Duitse verkeerswetgeving. Niet te onderschatten want in een pre-EU-tijdperk lagen die verkeersregels nog erg uit elkaar. Toegegeven, een rood licht is een rood licht, een voorrangsbord was ook nog herkenbaar en de snelheidsbeperkingen moest je maar van het verkeersbord aflezen. Maar de verschillen tussen de twee wegcodes lagen vooral in details, zoals de geldigheidsduur van regels of afstanden tussen het verkeersteken en het punt van aanvang der geboden, verboden of verplichtingen. Daarenboven waren er in Duitsland ook heel wat verkeerstekens die betrekking hadden op de militaire aanwezigheid van de NATO-troepen. Die waren voor ons als militairen uiteraard erg belangrijk. Daarnaast waren er natuurlijk ook de praktijkoefeningen en dat was wel genieten. We kregen elk een individuele begeleider mee, dat was meestal een oudere milicien met rijervaring, en mochten, na eerst wat rondjes rond het Paradeplein te hebben gereden, de ganse dag door het Westfaalse landschap toeren. Weg van de kazerne, bevrijd van tucht en discipline, we voelden ons even ‘ontsnapt’. Als een toerist door het Arnsbergerwald en het Sauerland rondtoeren, dat voelt een beetje aan als vakantie. Zelfs in een open jeep bij een temperatuur van amper 15 graden. Tja, als je niet veel luxe meer gewoon bent. Als derde onderdeel van de rijopleiding was er de cursus autotechniek en -onderhoud. Voor iemand als ik, die geen technische opleiding genoten had, was dit een hele kluif. Maintenance vóór gebruik, maintenance tijdens gebruik en maintenance na gebruik waren van kapitaal belang en een jeep had heel wat smeernippels en onderhoudspunten die je allemaal moest kunnen aanduiden en hanteren. Eigenlijk was dit voor mij nog het moeilijkste gedeelte maar driewerf hoera: ik was geslaagd in de examens en kreeg een militair rijbewijs dat ik enkele weken later op het gemeentehuis mocht omwisselen voor een burgerrijbewijs. Nu was er wel iets dat ik nooit begrepen heb. Wij kregen een rijbewijs B en C toebedeeld terwijl de jongens die in Stockem met zware rupsvoertuigen hadden leren rijden het moesten stellen met een rijbewijs B.

Russische tankNa de rijopleiding kregen we nog enkele andere opleidingen te verwerken. EHBO was er zo één van, niet onbelangrijk want het gevaar op verwondingen loert voor een militair altijd om de hoek. Bovendien een heel nuttige opleiding voor later, terug in het burgerleven. Vervolgens waren er ook de specifieke opleidingen die zeer nuttig waren voor een verkenner zoals het hanteren van de radio-apparatuur en het aanleren van de NATO-radioprocedures. De cursus IPV stond voor identificatie van pantservoertuigen. Een verkenner werd geacht bekwaam te zijn om informatie over de vijand te vergaren. In volle koude oorlog werden wij dan ook getraind om alle voertuigen van het Warschau-pact te kunnen onderscheiden en te beschrijven. Deze opleiding bestond uit een theoretisch gedeelte waarbij wij de beschrijving van (voornamelijk Russische) tanks en andere voertuigen leerden. Deze theoretische kennis werd dan later regelmatig getoetst in praktijkoefeningen waarbij je aan de hand van foto’s of dia’s moest weten te vertellen over welk type voertuig het ging. Geen sinecure want sommige types trokken danig op elkaar dat het soms van details afhing of het over model A dan wel model B ging. Een Ford van een Volkswagen onderscheiden is voor jonge kerels niet zo moeilijk maar een T54 van een T63, dat was al wat anders. Niet echt makkelijk maar wel leuk omdat het een zeker quizgehalte had en een quiz dat is wel mijn ding.

NBC beschermingHet meest lugubere onderdeel van de basisopleiding maar tegelijk ook het meest hilarische waren de beschermingsmaatregelen tegen een NBC-aanval. NBC stond voor Nucleaire, Biologische of Chemische oorlogsvoering. Anno 1974 moesten wij nog steeds technieken leren die ons eerder leken thuis te horen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Toch niet onterecht want terwijl wij in Duitsland de Russen moesten in het oog houden, dropten de Yankees in Vietnam tonnen Orange Agent op Charlie. We leerden hoe je een gasmasker moest opzetten, van uw tentzeil een beschermingscape maken en zo meer. Je leerde dan ook hoe je moest reageren als er een nucleaire explosie was. Eerst kwam de felle lichtflits, dan de immense ‘bang’ en de paddenstoelvormige wolk en daarna de ‘fall-out’. Als je dan daarna de films te zien kreeg die de effecten van dergelijke nucleaire aanval toonden dan moest je geen Einstein zijn om te beseffen dat je bij het ontwaren van de lichtflits al geen schijn van kans meer had en dat bescherming zoeken achter een muurtje van een meter hoog je reinste onzin was. Op de film was immers duidelijk te zien hoe zware betonnen constructies van 50 meter hoog op kilometers afstand van de inslag als een kaartenhuisje werden weggeblazen. De grens tussen zin en onzin was soms heel dun bij het leger. Wie zei ook al weer dat het leger altijd één oorlog achter loopt ?

Militair rijbewijs


P.S. sommige foto’s werden ontleend van andere web- of blogartikels of facebookpagina’s teneinde de sfeer van het artikel te accentueren.

Een paardje met pit

Het kon niet mooier uitkomen dan dat we in het Jaar van het Paard een gouden jubileum vieren van een paradepaardje in de wereld van de Heilige Koe. In maart 1964 werd in de Ford-fabrieken van Dearborn (Michigan U.S.A.) gestart met de productie van de eerste Ford Mustang. In april 1964 werd het nieuwe paradepaardje aan het publiek voorgesteld op het autosalon van New York en vanaf begin 1965 was de Pony Car, zoals de Amerikanen hun nieuwe sportwagen liefkozend noemden, in het straatbeeld te zien. De Ford Mustang profileerde zich direct als een icoon van de Golden Sixties. De naam Mustang was niet alleen afkomstig van een prairiepaard maar ook van een jachtvliegtuig en stond dus synoniem voor elegantie, kracht en snelheid. Met de Ford Mustang kon je dus over de highways scheuren, de Route 66 op om de Californian girls te gaan veroveren. Een marketingzet die kon tellen.

Alhoewel wij in West-Europa destijds het merk Ford vooral kenden als een Duits automerk met de Ford Taunus als uithangbord, bleef de interesse voor de Ford Mustang hier niet uit. Meer zelfs, in de late jaren 60, werd de vraag naar Amerikaanse ‘importcars’ steeds groter. De economie kende een hausse, de Arabieren boden hun brandstof als limonadefonteinen aan en de koers van de Amerikaanse dollar was zeer gunstig. 8-track cassettespelerBovendien viel de aankoopprijs van deze Amerikaanse vlaggenschippen redelijk mee. Auto’s als de Ford Mustang, maar ook de Mercury Cougar, de Corvette, de Oldsmobile, de Lincoln Continental, de Cadillac Deville of de Chevrolet Camaro, verschenen in ons straatbeeld. Onze Europese auto’s in de jaren 60 bestonden vooral uit mechanische technieken maar ook hier brachten de USA-cars verandering. Automatische versnellingsbak en nieuwe elektronische snufjes deden hun intrede. Ruiten, zijspiegels en kofferdeksel die elektrisch bediend werden. Richtingaanwijzers die niet enkel aan en uit knipperden maar een ware lichtshow gaven. Airconditioned klimaatregeling en een typisch jaren 60 attribuut dat bij ons quasi alleen in auto’s voorkwam … de 8-track cassettespeler. Deze cassettespeler was de voorloper van de compact cassette die in de jaren 70 voor een nieuwe muziektrend zorgde.

Ik heb de komst en de evolutie van de Amerikaanse automodellen van zeer dichtbij kunnen volgen. De nieuwe technologieën bracht ook mee dat de garages op zoek moesten gaan naar vakmensen die deze technieken beheersten en die waren toen eerder zeldzaam op de arbeidsmarkt. Mijn vader beheerste deze disciplines en dat dankzij het leger. Hij begon in 1948 een carrière als onderofficier bij het leger in een logistieke eenheid. Hij behoorde tot de 43e Ordonnance die in Brasschaat ‘gelegen’ was. Insigne Ordonnance troepenBij de legervoertuigen gingen elektronica en mechaniek al enkele jaren hand in hand en mijn vader was dan ook van beide markten thuis. In 1968 werd hij aangesproken door Ronny De Kort, destijds een Ford-concessionaris in Ekeren-Donk. Ronny De Kort kende mijn vader’s kwaliteiten goed want hij had destijds zijn legerdienst als KRO in Brasschaat vervuld. Hij bood hem een job aan in zijn garage. Mijn vader hapte toe en ruilde na 20 jaren trouwe dienst het kaki legeruniform in voor een blauwe overall maar wel met een fikse loonsverhoging. Tijdens de vakantiemaanden mocht ik al eens met de kinderen van Ronny De Kort -die van mijn leeftijd waren- rondlummelen in de garage. Ik was dan ook vooral onder de indruk van die Amerikaanse bolides in de showroom en niet in het minst van de Ford Mustang. Daar ontdekte ik als jonge puber ook de volkswijsheid ‘Jongens zijn als auto’s, je ligt er sneller onder dan je denkt’.

klik op een foto voor diashow

* * *

Het succes van de Ford Mustang is ook het succes van haar ontwerper en dat was de legendarische keizer van Motown Detroit, Lee Iacocca. Deze voormalige ingenieur van Ford, die dit jaar naar de 90 loopt, werd niet alleen bekend als de ontwerper van de Ford Mustang maar vooral door zijn managementvisie bij Chrysler. Hij was de CEO van dit noodlijdend bedrijf van 1978 tot 1992 en stond bekend als de man die Chrysler van het faillissement gered had. Hij had, als ingenieur-ontwerper, bijzondere aandacht voor design en marketing waarvan de Ford Mustang en later ook de Ford Escort voorbeelden zijn. Zijn leiderschapsstijl zorgde soms voor controverse maar je kan er niet naast kijken dat hij Chrysler tot tweemaal toe behoedde voor de ondergang. Een eerste maal in de jaren 80 en een tweede maal, na zijn pensionering, in 1995. Met de verkoop van Chrysler in 2009 aan de Italiaanse FIAT-groep schoot hij zichzelf in de teen. Enerzijds steunde hij de verkoop om het bedrijf te redden maar anderzijds was hij zelf bijna bankroet omdat zijn aandelen in het bedrijf quasi waardeloos werden door deze overname. Zijn managementboeken verkochten als zoete broodjes en hij werd als een nieuwe goeroe in de CEO-wereld beschouwd. Ik moet toegeven dat ook ik begin jaren 90 bij hem de mosterd haalde.

De ontwerper van de Ford Mustang had ook politieke interesses. Er werd hem zelfs een stoel in de Senaat aangeboden maar hij bedankte wellicht omdat hij moeilijk politieke kleur kon kiezen. Lee Iacocca naast 'zijn' MustangIn 2000 steunde hij de campagne van de Republikein George W. Bush maar in 2004 steunde hij Democraat John Kerry. In 2012 steunde hij dan weer terug een Republikeinse campagne, die van Mitt Romney. Misschien kan Lee Iacocca het maar beter op zijn filantropische activiteiten houden. Zijn onverdroten inzet voor diabetici is bij ons veel minder bekend maar daarvoor niet minder lovenswaardig. Bij Ford zijn ze de verdiensten van Lee Iacocca nooit vergeten ondanks zijn overstap naar Chrysler. In 2009 werd hij geëerd met een jubileummodel van de Ford Mustang, de Iacocca Silver 45th Anniversary Edition. Hoeveel dankbaarder kan je voor de gewezen ontwerper van je succesnummer zijn. Het succes van de Amerikaanse auto’s taande fel in de jaren 70. De petroleumcrisis die de prijs van de brandstof de hoogte deed inschieten was nefast voor deze veelslikkers. De introductie van Japanse auto’s, die ook al bol stonden van de elektronische snufjes en veel goedkoper waren, zorgde voor zware concurrentie. Milieubewuste consumenten deden de rest. Ford en GM plooiden terug op hun Europese modellen en een schare USA-importbedrijven ging op de fles. De Ford Mustang werd meer en meer een curiosum en eerder een collectors item. Daar kwam verandering in op het einde van de 20e eeuw met de komst van de 4e generatie Mustang en nog meer vanaf 2005 toen het 5e generatie model uitkwam. De Ford Mustang is vandaag terug ‘hot’ al moest het Oer-Amerikaanse merk daarvoor wel beroep doen op een Aziaat, de in 1975 uit Saigon gevluchte Vietnamese ingenieur Hua Tai-Tang. Tja, ge moet de vijand met zijn eigen wapens verslagen hé.


klik op een foto voor diashow

Malapata Klinklin! Labanta Kalan!

Rik Van den AbbeeleHonderd jaar geleden, op 18 maart 1914 werd in Antwerpen Rik Van den Abbeele geboren. Wellicht zullen er nu veel in hun haren beginnen krabben, zich deze naam nog wel van ergens herinneren en zich nu afvragen wie deze man alweer was. Wel nu, Rik Van den Abbeele was jarenlang een producer bij de toenmalige NIR, later respectievelijk BRT en BRTN, de voorloper van onze huidige VRT. Rik Van den Abbeele was verantwoordelijke voor documentaires en jeugdprogramma’s. In die hoedanigheid is hij niet alleen de ontdekker van presentatoren als Bob Davidse, in ons collectief geheugen vooral bekend als Nonkel Bob, van Terry Van Ginderen, in ons collectief geheugen bekend van haar kinderprogramma Klein, Klein Kleutertje en van Paula Semer, in ons collectief geheugen vooral bekend als presentatrice van vrouwenprogramma’s zoals Penelope en Kijk en Kook. Ze zijn alle drie iconen van de Vlaamse TV geworden. Maar Rik Van den Abbeele was ook de producer van talrijke jeugdreeksen die vanaf 1955 jaar na jaar op de buis kwamen. Elke 40-plusser zal nog zo -voor de vuist weg- jeugdseries kunnen opnoemen waarvoor hij of zij op woensdagnamiddag graag voor de buis zat. Bolletje en Bonenstaak, Jan zonder Vrees, Schatteneiland, Professor Kwit, Tijl Uilenspiegel, Manko Kapak, Het geheim van Killary Harbour, De Tijdscapsule, Zanzibar, Kapitein Zeppos, Axel Nort, Johan en de Alverman, Fabian Van Fallada, Keromar, Het Zwaard van Ardoewaan, Midas, Bart Banninks, De Kat … ik stamp nu ongetwijfeld veel open deuren in. Samen met scenarioschrijver Lode De Groof en regisseur Bert Struys zorgde producer Rik Van den Abbeele jarenlang voor uren jeugdamusement in de programma’s van Nonkel Bob.

Pure nostalgie en iedereen had wellicht zijn of haar favoriete feuilleton of personage alhoewel verschillende personages door dezelfde acteur gespeeld werden. Met een andere Sinjoor, Senne Rouffaer, als keizer van de jeugdseries. Hij had de hand hetzij als acteur dan wel als regisseur in Manko Kapak, Tijl Uilenspiegel, Zanzibar, Kapitein Zeppos, Axel Nort en Keromar. Voor een latere jeugdgeneratie kwam hij ook nog eens op het scherm in Buiten de Zone. Maar zijn glansrol blijft voor mij die van Kapitein Zeppos. Niet in het minst omdat het eerste verhaal zich afspeelt in het plaatsje Belder met het aanliggende Belderbos, een plaats die ik nog altijd als mijn imaginaire heimat beschouw. De verhalen van de galante zoetwaterkapitein, die eigenlijk Stephorst heette (in Griekenland konden ze dat niet uitspreken en verbasterden het naar Zeppos) en die in zijn amphicar samen met zijn trouwe helper Ben het kwaad bestreed. Wist je dat deze amphicar het enige amfibievoertuig was dat in serie geproduceerd werd voor verkoop aan particulieren ? Eetcafé Kapitein ZepposEr zijn in de jaren 60 meer dan 3.000 exemplaren van deze creatie van de Duitse auto-ontwerper Hans Trippel gebouwd maar door de hoge prijs (zo’n 10.000 mark, een flink bedrag in de sixties) en zijn povere prestaties zorgden ervoor dat je ze niet veel zag rijden of varen. In 1962 wist men zelfs met de amphicar het Kanaal over te steken maar het bleef voor de rest een curiosum. De naam Kapitein Zeppos is in Antwerpen vereeuwigd in een eetcafé aan de Mechelseplein, gelegen naast de in 2010 ter ziele gegane Studio Herman Teirlinck, het uithangbord van de Vlaamse toneelopleiding.

Mijn absolute favoriete jeugdreeks is vandaag nog steeds Johan en de Alverman. Vooral omwille van de Alverman, vertolkt door de onnavolgbare en rasechte Sinjoor Jef Cassiers. Was dit feuilleton bij ons zeer populair, in Italië is het nog steeds een hype. Er bestaan vandaag nog steeds tal van websites, YouTube-films en Facebookpagina’s over Gianni e Il Magico Alverman. Je acht het niet voor mogelijk maar het is zo. Was het misschien omdat Jef Cassiers geen behoorlijk ABN kon spreken maar wel een voortreffelijk mimespeler was (dat bewees hij trouwens ook in zijn slapsticks als Het Manneke) dat ze hem aanvankelijk een onbestaande kunstmatige taal lieten spreken in de jeugdreeks ? Het duurde een paar afleveringen eer Johan hem enkele woordjes Vlaams kon leren en dan leek dit Vlaams nog eerder op dat van een migrant die zijn eerste inburgeringscursus heeft gerateerd. Maar zijn uitdrukkingen als Moki, moki of Malapata klinklin of Labanta kalan kunnen ze over de hele wereld verstaan. Zelfs in het Verre Oosten. Ik probeer tegenwoordig met mondjesmaat een beetje Mandarijn onder de knie te krijgen maar als ik met een Chinese peuter, die zich nog moet behelpen met frazelen, wil communiceren dan grijp ik terug naar de oudste communicatietruuk, die van de kunstmatige taal. Geloof me, het werkt. In het begin kijken ze wel wat raar maar na enkele minuten lukt het communiceren wonderbaarlijk goed. Moki, moki gebruik ik om aandacht te trekken of iets aan te wijzen. Malapata klinklin gebruik ik voor Neen of een negatie en Labanta kalan voor Ja of een bevestiging. Het bewijst dat alhoewel wij Antwerpenaren geen dialect hebben, wij toch een wereldtaal spreken. Duim omhoog

Vlaams tv-pionier Rik Van den Abbeele overleed vijf jaar geleden, in 2009, hij werd net geen 95. Hij overleefde daarmee zijn dochter Els, die mee aan de wieg stond van VTM en die een jaar ervoor aan longkanker bezweek. Het leven gaat voort en al is het woord nostalgie afkomstig van de Oud-Griekse woorden nostos en algos, die respectievelijk terugkeer en droefheid, lijden of pijn betekenen, ik kijk met veel vreugde en warme herinneringen terug op die jeugdreeksen van Rik Van den Abbeele. Ik wil je dan ook nog eens graag onderdompelen in een bad van nostalgie met deze videoretrospectieve van jeugdreeksen van weleer. Bedankt Rik !



Ode aan een witte neger

Ferre GrignardOp 13 maart zou het Antwerpse hippie-icoon en non-conformist Ferre (Fernand) Grignard 75 geworden zijn. Zou, want de Ferre overleed in 1982 aan keelkanker, amper 43 jaar oud. Ferre Grignard werd geboren in het moederhuis aan de Vinkenstraat in Antwerpen. Acht jaar later werd zijn broer Roger geboren. Hun jeugdjaren brachten ze door in de Rederijkerstraat in Wilrijk, toen nog een autonome gemeente aan de zuidrand van Antwerpen.

Na de Tweede Wereldoorlog gaat Ferre naar de Stedelijke Jongensschool op het Kiel. Samen met zijn broer wordt hij lid van de scoutsbeweging. Tijdens de scoutsmeetings en kampen speelt de Ferre niet alleen theater, maar maakt ook muziek. Het is zijn broer Roger die hem eerst mondharmonica leert spelen en hem nadien een gitaar koopt. Voor de Ferre gold maar één ding: plezier maken in het leven. ‘God schept de dag en wij lopen er door’ was zijn motto. Hij stapte ongedwongen van de ene dag in de andere. Studeren deed de Ferre niet graag. Zijn schriften stonden vol tekeningen in de plaats van cijfers en letters. Het zalige nietsdoen van de Ferre zinde vader Grignard echter niet. Omdat Ferre niet op goede voet met zijn vader stond, wist Roger vader te overhalen Ferre naar het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten in de Cadixstraat in Antwerpen te sturen. Hij leerde hier etsen en schilderen, maar dat hij hier een diploma op zak stak is een fabel. In de tijd dat Ferre in de Cadixstraat school loopt, richt hij naar aanleiding van een schoolfeestje een groepje op. Een wasbord, een theekist, een gitaar en een mondharmonica. Pure skiffle dus, die iets later in blues zou verglijden. Hij speelde blues zoals je dat alleen van een zwarte zou verwachten. Ferre kreeg dan ook de bijnaam de Witte Neger. Hij neemt zelfs aan een liedjeswedstrijd deel die hij wint en daarmee is de aanzet voor zijn latere zangcarrière een feit. De verstandhouding tussen Ferre en zijn vader wordt almaar slechter. Ferre kan ook niet onder een baas werken en wisselt van de ene job na de andere. Die conflicten leiden er toe dat Ferre het ouderlijk huis verlaat en alleen gaat wonen. Dat was geen riant bestaan. Hij gaat in een steegje in de huurt van de Paardenmarkt wonen en vestigt zich daar als kunstschilder. Omdat de Ferre niet van zijn kunstwerken alleen kan leven, gaat hij als barman in de Gard Sivic in de buurt van de Stadswaag aan de slag en treedt daar op gezette tijden op als gitarist en blueszanger. De MuzeIn 1964 opent in Antwerpen aan de Melkmarkt het theatercafé ‘De Muze’ haar deuren. Dit wordt de ‘place to be’ voor alternatief Antwerpen. Ferre leert zijn vrouw, kunstschilderes Krie De Vilder, hier kennen. Zij deed de bar en Ferre zong. Walter Marselis, de baas van De Muze, neemt op eigen kosten een liedje op dat in z’n café veel succes kent ‘Ring ring I’ve got to sing’. Gelukkig is die originele opname met gitarist George Toots Smidts bewaard gebleven. Voor Ferre Grignard kwam de kip met de gouden eieren langs in de persoon van platenbaas en uitgever Hans Kusters die meteen de hitpotentie van ‘Ring ring’ onderkent. Een platendeal met Philips was snel afgesloten en in 1966 werd een gloednieuwe versie van ‘Ring ring’ ingeblikt. Tijdens het gala van de Eregalerij in de maand november 2001 werd Ferre Grignard in het Casino van Knokke postuum gelauwerd voor zijn muzikale bijdrage aan de Vlaamse muziek. De jury schreef in haar rapport het volgende : ‘Ring ring I’ve got to sing’ klinkt als ’n typische jaren zestig protestsong die door iedereen kan worden meegezongen. Die ook een enorm breed publiek aanspreekt door een goede tekst die heerlijk doorleefd door Ferre Grignard vertolkt wordt. Het liedje kan op gelijk welk podium gebracht worden en is een perfecte weerspiegeling van de jaren zestig’. Op 2 april 1966 staat ‘Ring ring’ op de 10e plaats genoteerd in de BRT top dertig. Datzelfde jaar neemt Ferre Grignard ook een ganse elpee op met uiteraard ‘Ring ring’ en de traditional ‘Drunken sailor’ en ook dat nummer slaat als single aan en geraakt op het einde van 1966 tot op plaats 16 van de nationale hitlijsten. Met zijn lange haren en zijn rebelse houding is de Ferre een exponent van zijn tijd geworden. Zijn hippie uiterlijk zorgt ervoor dat hij ook in het buitenland inslaat als een bom met als kroon op het werk niet alleen veel geld, maar ook een optreden in de Parijse Olympia en op Jazz Bilzen, de moeder van alle Belgische muziekfestivals. Vlak na zijn optreden in de Parijse Olympia klaagt Grignard Johnny Hallyday aan omdat die een bewerking had gemaakt van z’n hit ‘Crucified Jesus’. Die cover zelf kon hem niet zoveel schelen, maar wel dat Hallyday er een tekst op had geschreven die volgens de Ferre beledigend was tegenover de hippies in het algemeen en Grignard in het bijzonder.

Ferre’s carrière was als een raket gelanceerd , maar het ging voor hem veel te snel. Van de ene op de andere dag was hij een rijke jongen geworden die in het geboortehuis van Peter Benoit gaat wonen en zich daar omringt met een 20-tal kameraden met wie hij schildert, maar vooral feestjes bouwt en zich letterlijk te pletter drinkt. Dat rijkelijk bestaan vloekt met zijn zwerversziel. Hij wilde ‘echt’ leven ! Hij wilde de nonchalante zanger blijven waarvoor men hem aanzag en adoreerde. Hij maakt van zijn inkomsten een behoorlijk zootje. Hij houdt er geen boekhouding op na, hij weigert systematisch zijn belastingen te betalen wat verzandt in een ruzie met Vadertje Staat die na een tijdje al zijn royalty’s-inkomsten gaat blokkeren. Hij krijgt het in de loop van de jaren zeventig ook aan de stok met z’n platenfirma Philips. Het is z’n toenmalige manager Louis de Vries die Grignard verpatst aan de grote Franse firma Barclay, wat nadien leidt tot een proces dat twee jaar zal aanslepen, een periode waarin Ferre geen nieuwe songs mag inblikken en er ook geen platen meer worden uitgebracht. In 1969 brengt Barclay nog de elpee ‘Captain disaster’ uit. Het was de start van zijn ondergang. Plots staat de Ferre terug daar waar hij begonnen was. Hij keert terug naar af en gaat opnieuw heel bescheiden wonen.Gelukkig is er nog zijn moeder en een tante die hem bevoorraden en zorgen dat hij toch wat geld heeft om rond te komen. Hij geraakt opnieuw in zijn oude biotoop, De Muze, verzeild. Het roken en de drank maken zich almaar meer meester van hem. Begin jaren 80 wordt hij ziek, erg ziek. In het ziekenhuis stellen de dokters keelkanker vast. Via het OCMW van Antwerpen geraakt Ferre Grignard aan een appartementje op de Cockerillkaai, toen een sociale buurt maar vandaag een trendy wijk, waar hij de laatste weken van z’n leven kan slijten. Hij overlijdt op 8 augustus 1982 in het Universitair Ziekenhuis van Edegem. Het Schoonselhof wordt zijn laatste rustplaats.

Dat Grignard in Vlaanderen z’n sporen heeft verdiend en nagelaten staat buiten kijf. Vooral een aantal groepen uit de Antwerpse pop- en rockscene geven toe dat ze door Ferre Grignard zijn beïnvloed met voorop dEUS en Zita Swoon. In 2002 schrijven Wigbert Van Lierde en Bart Plouvier het boek ‘Captain Disaster’ over het wel en wee van de Ferre. Het Ferre Grignard-plantsoen in de buurt van de Zwaantjes (grens Hoboken-Kiel-Wilrijk) werd naar hem genoemd en zelfs een bescheiden asteroïde, YP5, draagt zijn naam. Voeg daar nog de onderscheiding in de Eregalerij van Radio 2 in 2007 toe voor z’n bekendste song ‘Ring ring I’ve got to sing’ en je hebt het concrete bewijs dat we de Ferre nog lang niet vergeten zijn. De Antwerpse bard Serge, die vroeger nog duo vormde met de te vroeg overleden Rita, bracht in 1985 een muzikale ode aan de Ferre, geheel in de stijl van de Ferre. Ik wil u deze dan ook niet onthouden.

Ik sluit af met een leuke wiki over de Ferre: alhoewel de Ferre al zijn liedjes in het Engels zong kende hij zelf geen woord Engels, geen letter zelfs. Bij het inzingen werden de teksten voor hem opgeschreven in een soort Antwerps-Engels zodat hij de juiste klanken en accenten wist te leggen. In het Antwerps klinkt trouwens de uitspraak van de IJ vaak heel Engels. Ai laik main waif veur taaidverdraaif, de Ferre zou het niet beter hebben kunnen zeggen.



Vier jongens op de hoek van de straat

CCR in originele bezettingIn maart 1969 klonk op onze radio een nieuw geluid. Het was het geluid van vier jonge kerels uit El Cerrito, een stadje nabij Berkeley aan de baai van San Francisco in Californië. Ze zongen een liedje over een stoomboot op de Mississippi met een heel gewone naam, Trotse Marie, in het Engels klinkt dat als Proud Mary. Het refreintje Rollin’ on the river werd door de jeugd luidkeels meegebruld. De groep werd bekend onder haar weinig vlot bekkende naam Creedence Clearwater Revival die dan ook snel afgekort werd tot CCR. A new star was born want CCR sloeg in als een bom. In hetzelfde jaar scoorden ze liefst vijf hits en in 1970 en 1971 volgden nog eens zeven tophits. Ze leverden in 1969 ook nog eens drie LP’s af. Vooral de derde trok mijn bijzondere aandacht, niet in het minst omwille van de titel: Willy and the Poor Boys. Op dit album stond een pareltje voor elke beginnende gitarist, zoals ook ik in 1969, Down on the Corner. Het is voor mij het absolute nummer één van CCR en het zal samen met het reeds genoemde Proud Mary en het -ook in 1969 uitgebrachte- Bad Moon Rising voor eeuwig en altijd de bis-nummers blijven op elk optreden van de frontman van CCR, John Fogerty. Wist je trouwens dat John Fogerty alle stemmen voor zijn rekening nam bij de opnames van Down on the Corner ?

CCR in de Ed Sullivan Show

v.l.n.r. Stu Cook – Tom Fogerty – Ed Sullivan – John Fogerty – Dough Clifford

Het verhaal van CCR begon tien jaar eerder, in 1959. Toen begonnen de broers Fogerty, Tom samen met zijn jongere broer John, een groep onder de naam Tommy Fogerty and the Blue Velvets. John brengt zijn schoolkameraden Stu(art) Cook en Dough Clifford mee. Met Stu aan de bas, Dough aan de drums, Tom aan de slaggitaar en John als sologitarist vormen ze aanvankelijk een klassieke Rock ‘n Roll band zoals eind jaren 50 bijna gewoon was. Ze verwierven lokale bekendheid in de San Francisco Bay Area maar ze speelden niet enkel Rock ‘n Roll maar ook Skiffle en Country. In 1964 kegen ze van Fantasy Records een platencontract aangeboden op voorwaarde dat ze hun naam veranderen. Die wordt dan The Golliwogs. Hun muziekstijl wijzigde naar een tune die wat dichter bij Jazz en Blues aanleunde. Ze oogstten er maar weinig succes mee en John Fogerty nam de touwtjes in handen en begon zelf liedjes te componeren en te zingen. In 1967 wordt nogmaals besloten tot een naamswijziging en gaat de groep voortaan door het leven als Creedence Clearwater Revival. De drie elementen komen respectievelijk van Credence Newball, een vriend van Tom Fogerty, (de extra e is toegevoegd om het woord ‘creed’ (=credo of motto) te creëren), Clearwater komt van een tv-reclame voor Olympia beer dat de smaak van helder water (‘clear water’) zou hebben, Revival staat voor de nieuwe opleving van de groep, de trouw die men elkaar zweert. Rond deze tijd is ook het muzikale klimaat aan het veranderen.

John Fogerty anno 2013De klassieke Rock ‘n Roll heeft afgedaan en de oorlog in Vietnam en de opkomst van het Hippietijdperk en de Flower Power brachten in de V.S. een nieuwe subcultuur. CCR scoorde een eerste klein succes met cover-nummers zoals Susie Q en I put a Spell on You, van blueszanger Screamin Jay Hawkins. Beide nummers haalden de Amerikaanse hitparades maar internationaal succes bleef nog uit. In maart 1969 trad CCR op in de beroemde Amerikaanse tv-show van Ed Sullivan en brachten daar een nummer dat John Fogerty zelf had geschreven, Proud Mary. Na deze show brak CCR echt internationaal door en werd de groep een begrip in de popwereld. De ene hit volgde de andere op en CCR werd ook gevraagd om op te treden op het legendarische Woodstock festival in 1970. Aan dit optreden wil John Fogerty liefst niet herinnerd worden. CCR moest daar laat in de nacht optreden (om 3u.) en hun optreden werd een flop. Bovendien verscheen hun optreden niet in de film noch op de plaat want hun platenuitgever Fantasy Records kon niet tot een akkoord komen met de uitgever van Woodstock, Cotillion. Het repertoire van John Fogerty werd ook wat grimmiger en zijn scherpe teksten tegen de oorlog in Vietnam werden niet altijd geapprecieerd door zijn bandleden. Wrote a song for everyoneIn 1971 stapte John’s broer Tom uit de groep en ging CCR nog door als trio. Als trio zou CCR ook hun eerste (en tevens laatste) Europese tournee afwerken. De artistieke meningsverschillen -zoals dat dan heet- begonnen echter te wegen op de groep. Tijdens de opnames van hun laatste LP Mardi Gras werd er meer geruzied dan gemusiceerd en als deze plaat dan ook nog eens flopt is het gedaan met CCR, de groep split medio 1972. Het blijft dan lange tijd stil rond John Fogerty en CCR. Er wordt vooral veel gebakkeleid over de royalty’s en over wie de naam Creedence Clearwater Revival mag blijven dragen. Ondertussen blijft John wel voort musiceren en brengt in 1973 een nieuw album uit met pure Country en Blue Grass muziek onder de naam The Blue Ridge Rangers. Hij speelt op dit album alle instrumenten zelf en zingt ook alle stemmen, een klein huzarenstukje. Hij schrijft ook een topnummer voor de Britse groep Status Quo, Rocking All Over the World. Het is tot 1985 wachten eer John Fogerty aan een heuse comeback begint maar wel een die blijft duren want ondertussen toert hij al bijna dertig jaar rond met een repertoire van oude CCR-nummers en nieuwe nummers uit zijn succesvolle solo-albums als Centerfield, Eye of the Zombie, Blue Moon Swamp, Premonition, Deja Vu (all over again). In 2013 bracht hij nog het album Wrote a song for everyone uit waarop zijn (oude) CCR-nummers worden gecoverd door andere topartiesten. Ondertussen deden de andere bandleden Stu en Dough verder onder de naam Creedence Clearwater Revisited maar verder dan wat oud CCR werk brengen kwamen zij niet. Willy and the Poor BoysVoor Tom Fogerty liep het tragischer af. Hij overleed in september 1990 aan aids, amper 48 jaar oud. Hij had een hiv-besmetting opgelopen tijdens een bloedtransfusie.

Ik was als jonge tiener in 1969 direct fan van CCR. Ik was er dan ook als de kippen bij toen CCR in 1971 optrad in het Sportpaleis van Antwerpen. Spijtig genoeg zat het toen klaarblijkelijk al goed mis want het optreden van het trio trok er niet op. Het voorprogramma dat de opkomende ster Tony Joe White bracht was stukken beter. Eerlijk is eerlijk. Het heeft mijn liefde voor de muziek van John Fogerty niet bekoeld en hij heeft het later nog wel goed gemaakt want zijn optreden in datzelfde Sportpaleis enkele jaren geleden was wel top. Down on the Corner blijft voor altijd mijn persoonlijk lijflied. Dat het ondertussen een ‘klassieker’ is geworden, bewijst John met zijn optreden in datzelfde Sportpaleis in 2010 tijdens The Night of the Proms.
Willy and the Poor Boys will play forever !


John Fogerty op The Night of the Proms 2010

Geef acht ! – deel 2

Maart 1974. Ik ben nu bijna een maand in Soest en begin al een beetje zicht te krijgen op en ook te wennen aan het militaire leven in de kazerne. Het 5e Linie was een Bataljon Infanterie en de functie waarvoor ik opgeleid werd was die van verkenner, een recce. Het Bataljon bestond destijds uit drie compagnies stormfuseliers, in de volksmond ook wel de zandstuivers genoemd, een compagnie staf & diensten en een steuncompagnie. Van die laatste maakte ik deel uit. De steuncompagnie bestond uit een peloton verkenners, een peloton luchtafweer, een peloton mortier en een peloton anti-tank. Al vlug werd ons duidelijk gemaakt dat de verkenners, de recce’s dus, een aparte discipline waren en dat zullen we geweten hebben. Nu wil ik niet al te pretentieus klinken en doen alsof die anderen bij het 5e Linie een luxeleven leden. Het 5e Linie was een eenheid die, net als veel andere gevechtseenheden in de BSD, steeds paraat moest staan om elke vijandige invasie vanuit het Oostblok het hoofd te bieden. De opleiding van gevechtseenheden was behoorlijk zwaar te noemen en tucht en discipline waren de ordewoorden. Toch was er enig verschil te merken tussen de verkenners en de anderen, met name dat onze opleiding een ganse legerterm inhield. De basisopleiding van een infanterist duurde drie maanden. Na deze drie maanden begon voor velen een eerder routinematig leven, wacht en piket lopen, klussen uitvoeren en tussendoor de opgedane kennis onderhouden en vervolmaken door oefeningen en maneuvers. De opleiding tot recce duurde een heel jaar door. Wij waren dan ook quasi vrijgesteld van wacht lopen en werden niet met karweien en klussen belast, uitgezonderd deze die tot het dagelijkse leven van elke soldaat behoorden zoals de kamer- en uniformpoets en de periodieke compagniekuis. Heel wat stormfuseliers hebben een groot deel van hun legerdienst doorgebracht als kelner, keukenhulp, schilder, schrijnwerker, elektricien, mecanicien, chauffeur of belandden in de administratie. Dat was bij de verkenners niet het geval.

De basisopleiding infanterist was voor iedere milicien quasi gelijk. Er waren vooreerst een reeks belangrijke zaken die elke soldaat moest leren zoals het herkennen van de graden en de manier waarop je je moest gedragen tegenover een overste. Kwam er een onderofficier de kamer binnen dan moest de kameroverste luidkeels Aan bed! roepen. Bij een officier luidde die kreet Ter orde! In beide gevallen moest de ganse kamer in Geef acht-houding naast het bed post vatten. Ook de onderlinge communicatie tussen een milicien en een lid van het kader was aan protocollaire formules onderhevig. Je mocht een overste niet zomaar aanspreken, dit ging steeds vooraf met een beleefdheidsformule. Je moest beginnen met jezelf voor te stellen. De voorstelling gebeurde met een groet, behalve als je je in een lokaal bevond en blootshoofds waart, en je moest de heilige afstand van minstens twee passen bewaren. Je diende jezelf dan voor te stellen met naam en graad. Daar merkten we al het eerste verschil tussen de verkenners en de anderen. Was de formulering gewoonlijke ‘Soldaat + naam’ dan moesten wij ons voorstellen met de formule ‘Verkenner + naam’. Daarna volgde de verplichte vraag ‘U hebt mij geroepen?’ of ‘U wenst?’ dit voor zover je ontboden werd of ‘Is het toegelaten?’ indien je zelf het initiatief tot een gesprek nam. Pas nadat je toestemming tot spreken kreeg kon de communicatie beginnen. Als het onderhoud achter de rug was, en geloof me het waren meestal zeer korte conversaties, dan werd je geacht af te sluiten met de formule ‘Nog iets tot uw dienst …?’ voor een onderofficier of ‘Nog iets tot uw orders …?’ voor een officier, steeds gevolgd door diens graad. Na de boodschap van de overste dat je mocht beschikken volgde andermaal een groet en de plechtstatige militaire beweging ‘rechtsomkeer’. Een informeel gesprek tussen een soldaat en een overste was taboe al maakten de kandidaat-reserveonderofficieren, de KROO’s, en de beroepskorporaals hier soms wel eens een uitzondering op. Bij de officieren en de kandidaat-reserveofficieren, de KRO’s, was dit echter not done. Ik denk dat hun militaire carrière aan een zijden draadje hing indien zij van deze gedragsregels zouden durven afwijken.

Het dagschema van een milicien zag er meestal als volgt uit. Om 6u15 werd je gewekt (op zon- en feestdagen was dit tussen 7u en 9u) en was er appèl op de kamer door de sergeant met weekdienst, geassisteerd door een korporaal. Je had dan een half uur om je te wassen, aan te kleden en het bed en de kamer op orde te zetten. Van 6u45 tot 7u15 kon het ontbijt genomen worden in de refter. Om 7u30 moest je klaar staan voor de eerste opdracht of voor de vlaggengroet. Die eerste opdracht was in een gevechtseenheid vaak de ochtendcross. De fysieke conditie van de troepen was een belangrijk item en er werd dan ook zeer veel aan sport en conditietraining gedaan. Alhoewel ik voor mijn legerdienst al een regelmatig competitiesporter was kan ik niet ontkennen dat mijn conditie er na enkele weken mijlen op vooruit was gegaan. Na de ochtendcross was het dan tijd voor andere opleidingen, vaak in buitenlucht en soms ook in een klaslokaal. Tussen 12 en 12u30 was er tijd voor het middagmaal. Om 13u30 werden de opleidingen of taken hervat tot 17u en om 18u was het terug etenstijd. Na het avondmaal was je dan vrij tot 24u. Je mocht dan de kazerne verlaten. Om 22u was er appèl op de kamer en zij die buiten waren moesten zich voor 24u aan het wachtlokaal inschrijven. Het klonk mooi dat je vrij was tussen 18u en 24u maar de realiteit was vaak anders. Tijdens die uren moest je ook nog de persoonlijke uitrusting verzorgen en je wapen of voertuig onderhouden. Van die theoretische vrijheid schoot dan ook vaak niet veel over behalve in het weekend. Vele opleidingen en trainingen gingen door op het oefenterrein van Büecke. In het slijk van Büecke kregen we militaire basistechnieken aangeleerd. Daar werd ‘de ontgroeningsfase’ het meest duidelijk. Anders dan in het studentenleven bestond een militair ontgroeningsritueel niet uit een ludieke bijeenkomst waar je jezelf een uurtje moest laten vernederen om dan bij liters bier geaccepteerd te worden in de groep. Het militaire ontgroeningssysteem bestond eruit om je psychologisch bijna te breken, je zelfbeeld quasi te vernietigen om je daarna terug op te bouwen naar dat soort mens dat het leger nodig had, een vechtmachine die keurig in de pas loopt en elk bevel en elke opdracht hondstrouw zonder nadenken uitvoert. Het klinkt hard maar het was wellicht de enige manier om van duizenden adolescente jongeren, die nog groen waren achter hun oren, zelfverzekerde weerbare kerels te maken. Vooral in de eerste maanden van de opleiding werd je behandeld als een hulpeloze idioot en trapte je dikwijls in de val van geknoei en vernedering. Ik herinner mij zo nog de eerste les in militaire tactiek, de camouflage. We kregen op het terrein uitgelegd hoe we ons gezicht moesten zwart maken, dat gebeurde met een verbrande kurkstop, en hoe je helm en kledij moest draperen met gras en bladeren om zoals een kameleon in het groen te kunnen verdwijnen. Gelukkig was het landschap in Büecke monotoon groen en bruin want ik mag er niet aan denken hoe wij diezelfde oefening in de Keukenhof van Lisse hadden moeten uitvoeren. Terwijl wij naarstig bezig waren in de struiken naar gepaste vegetatie te zoeken hadden we even ons geweer uit het oog verloren. Dit bleef niet ongestraft. Enkele minuten later stelden we vast dat ons wapen niet meer op de oorspronkelijke plaats stond maar ondergedompeld lag in een reusachtige slijkplas. Gevolg: een hele avond poetsen, frotten, wrijven en blinken want ‘s anderendaags moest het geweer er weer vlekkeloos uitzien. Vlekkeloos mocht je meer dan letterlijk nemen want een spatje zo groot als een speldenkop was voldoende om het wapen terug in het slijk gedumpt te zien en opnieuw te mogen beginnen. Je hoort mij al afkomen: bijna geen enkel geweer passeerde de inspectie. Alles viel opnieuw te beginnen. In die eerste weken was het schering en inslag, je werd bijna tot wanhoop gedreven door die meedogenloze inspecties.

Nog zo’n belangrijke basisvorming was het hanteren van het geweer. Als soldaat moest je niet alleen goed en precies leren schieten, je moest het wapen in een minimum van tijd leren uit elkaar halen en terug ineen steken. De allereerste keer gebeurde dit in een klaslokaal. De sergeant bracht ons met overtuiging de techniek bij. Het uiteen halen lukte nog vrij vlot maar het terug assembleren dat was een ander paar mouwen. Met trots riep de sergeant ons toe: ‘Weet je in hoeveel tijd ik dit geweer terug ineen kan steken?’ Niemand waagde zich aan een gokje maar aan zijn brede grijns kon je opmaken dat het minstens een Olympische medaille waard was. Een ander belangrijk onderdeel van de basisopleiding was de militaire drill. In enkele weken tijd slaagden de onderofficieren erin om van een bende vierkante zakken een peloton mooi in de pas marcherende soldaten te maken die elk bevel met uiterste precisie en timing konden uitvoeren. Kappen op de hielen! Borst vooruit, denk aan uw zuster! Hoofd recht! Deze uitroepen galmden elke dag opnieuw over het paradeplein. In de eerste fase ging het inoefenen van elke beweging gepaard met luidop tellen. Ook dit was een zekere vorm van vernedering. Enkel de ‘bleukens’ deden dit, waarbij zelfs de ervaren miliciens en de ‘super-anciens’ dit met leedvermaak aanschouwden. Dat je nog een schacht was, kon je niet verbergen. Op de muts mocht je nog niet het kenteken van de eenheid dragen maar een leeuw, door de andere miliciens denigrerend een ‘pisser’ genoemd en je werd door ‘de anciens’ dan ook steevast nagefloten en met de schrandere opmerking als ‘pisser’ aangesproken, waar ze je ook maar tegen kwamen, zelfs tot in de kantine. Vernedering was duidelijk niet de expliciete bevoegdheid van het kaderpersoneel.


P.S. sommige foto’s werden ontleend van andere web- of blogartikels of facebookpagina’s teneinde de sfeer van het artikel te accentueren.

Laffe schoten in Schoten

Als we vandaag in ons land over gevaarlijke seriemoordenaars spreken dan kom je al gauw namen tegen als Marc Dutroux, Ronald Janssen of -in een iets verder verleden- Freddy Horion en Roland Feneulle (de monsters van St Amandsberg), Staf Van Eyken (de vampier van Muizen) en Michel Bellen (de wurger van ‘t Sint-Anneke). Zij zitten momenteel veilig achter tralies, enkelen van hen al heel wat jaren en dat is maar goed ook. In het afgelopen jaar overleden in onze gevangenissen drie gevaarlijke seriemoordenaars die een levenslange celstraf moesten uitzitten. Naast Roland Feneulle (handlanger van Horion), ook András Pándy, de man die zijn slachtoffers in een zuurvat liet oplossen en ook een man met een misschien iets minder klinkende naam, maar daarom niet minder gevaarlijk, Jan Caubergh. Over die laatste wil ik het nu even hebben want het is toch wel frappant hoe de personages in de moorddadige raid die Jan Caubergh in de gemeente Schoten hield, mijn levenspad hebben gekruist.

Jan Caubergh tijdens de wedersamenstelling

Jan Caubergh tijdens de wedersamenstelling

We schrijven 22 februari 1979. Vandaag 35 jaar geleden speelde zich in de Schotense Deuzeldwijk een verschrikkelijk drama af. Het is een nachtmerriescenario dat recht uit één of andere gangsterfilm uit Hollywood lijkt te komen. Een man vermoordde er op beestachtige wijze een 19 jaar jonge zwangere vrouw nadat hij haar verkracht had. Hij ging bijzonder gewelddadig te keer, hij doodde alles wat leefde en bewoog, zelfs de huiskat door het dier met het hoofd tegen de muur te pletter te slagen. De echtgenoot van de noodlottige vrouw was op dat ogenblik gaan werken en deed de gruwelijke ontdekking toen hij ‘s avonds na zijn late shift thuis kwam. De politie kwam ter plaatse en al snel kwam Jan Caubergh -die later de dader bleek te zijn en die een vroegere buurman van het jonge koppel was- in het vizier. Hij was in de namiddag immers door andere buren opgemerkt nabij de woning van het slachtoffer. De politie ging de man, die op dat ogenblik nog als een getuige werd beschouwd, bij hem thuis opzoeken en werd er direct onthaald op een kogelregen. Eén agent werd zwaar gewond in de buik door geweerschoten, de andere agent en de officier moesten zich snel uit de voeten maken. Hun politiewagen werd doorzeefd met kogels en ze waren met hun lichte 7,65 mm pistolen niet opgewassen tegen het wapenarsenaal van Caubergh. De gemeentepolitie beschikte toen niet -zoals vandaag- over machinegeweren of shotguns noch over kogelwerende uitrusting om dergelijke zware aanval het hoofd te bieden. We leefden toen nog in het pre-Bende Van Nijvel-tijdperk. Even later zou ook blijken dat Jan Caubergh bij hem thuis zijn vriendin en hun zes maanden oude zoontje, eveneens op beestachtige wijze, vermoord had. Groot-Antwerpen was enkele dagen in de ban van deze moordenaar en er werd een klopjacht op hem gehouden. Om de haverklap werden politiediensten gealarmeerd wanneer er een vermoeden van schuilplaats was of wanneer burgers meenden de voortvluchtige dader ergens opgemerkt te hebben. Uit het later onderzoek zou blijken dat hij zich dagenlang schuil hield in binnenschepen op het nabijgelegen Albertkanaal en in de fabriek Crown Cork Company. Deze fabriek, waar ik in mijn jonge jaren nog vakantiewerk heb verricht, was aan ‘de brug van den Azijn’ gelegen. Zijn vlucht eindigde in een hotelletje in het centrum van Antwerpen, in de Atheneumbuurt. Daar begint ook mijn verhaal.

Jan Caubergh geëscorteerd door de Rijkswacht tijdens zijn voorleiding voor de rechter

Jan Caubergh geëscorteerd door de Rijkswacht tijdens zijn voorleiding voor de rechter

Een doodgewone nachtdienst bij de Mobiele Brigade. 19.00 u, appèl door de postoverste en dan onmiddellijk op patrouille in een toegewezen sector. De nachtdienst was nog maar net aangevat toen we met enkele patrouilleploegen de opdracht kregen om bijstand te leveren bij een team van de opsporingsdienst. Zij gingen een controle uitvoeren in een ‘rendez-vous’-hotel in de Atheneumbuurt. Deze buurt was destijds vooral gekend als tippelbuurt waar de straathoertjes in de portalen van dergelijke hotelletjes klanten ronselden. De meesten van die hoertjes ‘werkten’ toen voor eigen rekening en waren zelfs dikwijls ‘gewone’ huisvrouwen van ver uit de buurt die zo een deftig centje kwamen bijverdienen. Van heroïnehoertjes of Albanese pooiers was toen nog geen sprake. Antwerpen had trouwens een zekere reputatie op het vlak van prostitutie en vertier. Er was niet alleen het Schipperskwartier voor de zeemannen, je had ook het ‘Quartier Latin’ voor de meer begoede burgers. Die was gelegen in en rond -wat nu de duurste winkelstraat van ‘t stad is geworden- de Schuttershofstraat. Dan waren er ook nog de (meestal Afrikaanse) vitrinehoertjes van de Lange Winkelhaakstraat, de homobars in de Van Schoonhovenstraat en de stripteasetenten en uitzuiperskroegen in de omgeving van het De Coninckplein. Laissez vivre, laissez passer was toen de stadsslogan. ‘Het stad’ was toen nog van ”’A”’.
Terug naar mijn opdracht dan. Bleek dat de bijstand die gevraagd was als reden had dat de opsporingsdienst in de logementsfiches van het hotel de identiteit van een ‘geseinde persoon’ had ontdekt. Het woord ‘briefing’ moest toen nog uitgevonden worden bij de Antwerpse politie want wij hadden geen flauw idee over wie het zou kunnen gaan en ook de ‘superflikken’ van de opsporingsdienst losten geen woord over de identiteit van de man noch over zijn achtergrond. Zij zouden dit varkentje wel even wassen, wij moesten in back-up blijven moest het nodig zijn. By the way … zonder kogelwerende of andere beschermende uitrusting. We beschikten wel over een geweer van militaire type, een FAL, maar wat ben je daarmee in een druk stadscentrum ? Het moet zijn dat wij die dag door een goede engel gediend waren want de man in kwestie was wel degelijk de gezochte moordenaar. Hij liep recht in de handen van de speurders en werd zonder slag of stoot gearresteerd. Omringd door een klein peloton Antwerpse ‘gardes’ werd hij afgevoerd. Recht kon nu geschieden. Zijn gezicht zal ik nooit vergeten, hij had constant een uitdagende monkellach op zijn tronie en zijn ogen verraadden de binnenpretjes van een ware psychopaat. Het kostte de politiemensen heel wat zelfbeheersing om de man niet ter plaatse voor rot te slaan. Hij zou enkele maanden later voor Vrouwe Justitia verschijnen en worden veroordeeld tot de doodstraf die -zoals het toen de geplogenheid was- bij gratie door de Koning automatisch werd omgezet in een levenslange gevangenisstraf.

Groepsfoto in 't Klein Kasteeltje 1974

Groepsfoto in ‘t Klein Kasteeltje 1974

Door mijn toevallige betrokkenheid bij de arrestatie van deze man werd het mij ook duidelijk wie zijn slachtoffers waren. De echtgenoot van de vermoorde zwangere vrouw was een oude legermakker. Hij heeft in 1974 bij dezelfde eenheid als ik, het 5e Linie in Soest, gediend. Ik heb hem zelfs al een eerste keer ontmoet toen wij samen onze ‘drie dagen’ gingen doen, dat was jargon voor de militaire selectieproeven die toen doorgingen in ‘het Klein Kasteeltje’ in Brussel. We waren van dezelfde lichting maar hadden niet dezelfde functie. Ik kon hem mij nog wel heel goed herinneren want ze noemden hem daar in Soest ‘den Elvis’. Het waren zijn opvallende zwarte vetkuif en dito bakkebaarden die hem zijn bijnaam opleverden. Een Johnny-achtig type met soms een pathetische blik maar met een goede inborst. Aangezien we van dezelfde ‘klas’ waren zaten we ook wel regelmatig samen in de kantine, de verlofgangerstrein en zo meer. Ik heb ‘den Elvis’ na onze afzwaai niet meer gezien of gehoord, alhoewel we niet zo ver van elkaar woonden. Ik destijds in Deurne en hij in Schoten-Deuzeld, eigenlijk maar net aan de overkant van ‘de brug van den Azijn’, een brug die de gemeenten Merksem en Schoten met Deurne verbindt. Hoe was het mogelijk dat ‘den Elvis’ dit moest overkomen, een vraag die ook vandaag nog wel eens door mijn kop speelt. Op de dag van zijn eerste huwelijksverjaardag heeft hij zijn vrouw en hun ongeboren kind moeten begraven. Hoe zwaar kan een mens gelouterd worden ?

Een gelijkaardige politiewagen werd in Schoten doorzeefd met kogels

Een gelijkaardige politiewagen werd in Schoten doorzeefd met kogels

Een andere ‘figurant’ in deze horrorfilm was de politieofficier die op de plaats van de misdaad moest afstappen en die, samen met zijn agenten, op een kogelregen werd onthaald. Hij kwam er met de schrik vanaf en werd een paar jaar later bevorderd tot commissaris-korpschef van de gemeentepolitie van Schoten. In 1992 trad ik bij hem in dienst, het was mijn eerste stap naar een officierscarrière. Het was voor mij een korte tussenstap daar in Schoten want een half jaar later werd ik officier benoemd in Edegem. Ik was er toen niet van op de hoogte dat hij nauw betrokken was geweest in dit drama. Hij heeft er geen woord over gerept en het was pas jaren later, na een krantenartikel, dat ik te weten kwam dat hij de man was die quasi met blote handen een zwaarbewapende psychopaat moest inrekenen. De twee politiemannen die hun officier vergezelden op de ‘crime scene’ waren in 1992 al met pensioen. De politieman die neergeschoten werd door Caubergh heeft die aanslag overleefd maar leeft nog steeds met een kogel in zijn lever.

Jan Caubergh toen hij in 2010 voor de rechter moest verschijnen

Jan Caubergh toen hij in 2010 voor de rechter moest verschijnen

Lanakenaar Jan Caubergh genoot de twijfelachtige eer om net voor zijn dood, eind 2013, de gedetineerde te zijn die het langst in de gevangenis zat. Hij had er 45 jaar opsluiting opzitten, weliswaar niet in één stuk. Hij werd vóór zijn moorddadige escapades in Schoten al eens door het Assisenhof van Limburg veroordeeld tot 25 jaar dwangarbeid voor een brutale roofoverval in 1964 op een kindertehuis in Rekem. Hij schoot daarbij een jonge monitrice in de rug. De vrouw bleef zwaar gewond en voor het leven verlamd achter en stapte later in wanhoop uit het leven. Caubergh kwam in 1977 vervroegd vrij maar mocht zich niet in Limburg vestigen. In Schoten had men amper weet van zijn duistere verleden.
Ondanks deze gruwelijke feiten ben ik altijd een tegenstander van de doodstraf gebleven, gewoon omdat ik van mening ben dat zelfs de meest bekwame en rechtvaardige rechters niet de volmacht mogen krijgen om over leven of dood te beschikken. Hebben we in ons land überhaupt wel bekwame en rechtvaardige rechters hoor ik je nu denken. Het wantrouwen in ons strafbeleid is niet onterecht. Kan je geloven dat een strafuitvoeringsrechtbank na al dit leed nog de blunderbeslissing nam om Caubergh ‘wegens voorbeeldig gedrag’ een uitstap te gunnen ? In 2003 zag hij dan nog eens de kans om tijdens zo’n picknickuitstap in de duinen van De Panne zijn gevangenisbegeleider neer te steken. De bewaker overleefde de aanslag en in 2010 kreeg Caubergh er nog eens 12 jaar bovenop. Hij overleed op 29 november 2013 in de gevangenis van Brugge zonder maar één gram spijt te tonen. Ik hoop dat mijn legerkameraad ‘den Elvis’, mijn oud-collega’s van Schoten en de onfortuinlijke gevangenisbewaker, nu ze voor goed van dit monster verlost zijn, enige gemoedsrust mogen vinden.
En wat Jan Caubergh betreft … dat hij voor altijd mag branden in de hel.

Is ‘t gepermitteerd ?

Salvatore AdamoDe meest aimabele Italo-Belg die ons land rijk is viert deze maand een Gouden Jubileum. Ik heb het dan niet over onze premier Elio Di Rupo (quousque tandem Elius?) maar over Salvatore Adamo. In februari 1964 kwam zijn ‘Vous permettez, Monsieur?’ onze nationale hitlijsten binnengestormd. Tot daarvoor had niemand gehoord van deze sympathieke Siciliaan behalve het zuidelijk gedeelte van het land waar hij een jaar voordien al succes oogstte met ’Sans toi ma mie’. Hij miste zijn entree niet want het liedje over een braaf opgevoede jongeman die de oerconservatieve vader van een mooie jongedame ten dans vraagt was een schot in de roos. Adamo werd een topvedette in ons land en in de hele Franssprekende wereld. Wat zeg ik? In de ganse wereld! Want ook in Azië is Adamo een begrip al hebben ze daar niet altijd door dat hij een Belg is. Ik heb hierover al eens een artikel geschreven onder de titel Yukiga Furu. Adamo stapelde in de jaren 60 en 70 de ene hit op de andere. Hij zingt de door hemzelf geschreven chansons voornamelijk in het Frans, maar ook in zijn moedertaal Italiaans en verder in het Nederlands, Engels, Turks, Spaans, Japans en Duits. Hij verkocht wereldwijd meer dan 100 miljoen albums en singles, en is daarmee nog steeds de besteverkopende Belgische artiest aller tijden, mijlen vooruit op zijn naaste concurrenten Jacques Brel en Rocco Granata. In 1966 droeg zelfs een kwart van alle platen die in Frankrijk verkocht werden zijn naam. Toch bleef hij de eenvoud en bescheidenheid zelve en kreeg hij nooit kapsones. Klein van gestalte maar een heel groot mens.

De liedjes van Adamo werden ook vaak gecoverd soms in excentrieke versies zoals Zeibeiste Arno Hintjes het liedje ‘Les Filles du Bord de Mer’ een nieuw kleedje gaf en er zijn onnavolgbare ‘Choin, choin, choin’-kreet aan toevoegde. Het meest gecoverde Adamo-nummer is zonder meer ‘Tombe la Neige’ dat door niet minder dan 520 artiesten op plaat werd gezet, waaronder ook de Chinese nachtegaal Teresa Teng over wie ik al schreef in mijn blogartikels Een Chinese Nachtegaal … Teresa TengDe mist in en het reeds geciteerde Yukiga Furu. Wat u wellicht niet wist en u zelfs erg zal verbazen is dat ik in mijn jeugdjaren een niet onverdienstelijk imitator van Adamo was. Lang voor het tijdperk van de Soundmixshow bracht ik voor mijn vriendinnetjes op de lagere school een serenade van onze Salvatore ten berde. Zonder veel succes overigens want ik had noch de looks noch de charme van ons nationaal exportproduct uit Jemappes en ‘royale’ aandacht kreeg ik er ook niet mee. Dat laatste was omdat ik mij wellicht niet zo aan de Franse ‘lyrics’ hield want je weet, op mijn Frans stond meer haar dan …
Toen ik rond mijn twaalfde de baard in de keel begon te krijgen was mijn carrière als pseudo-charmezanger met lichtjes hese maar zoet gevoosde stem dan ook voorbij.
Inch’Allah إن شاء الله (°). Verwarde emoticon

Adamo zit ondertussen op tram 7 en ook Arno heeft de pensioengerechtigde leeftijd al bereikt maar Adamo’s liedjes klinken nog even fris als toen! Meer dan terecht dat hij vorige week werd opgenomen in de eregalerij van Radio 2.
Het origineel is altijd beter dan de kopie dus bij deze -in de naweeën van Valentijn- een ‘originele’ liefdestango uit 1964.

(°) bij Gods wil.