Om te stoppen … druk op start

Het is bizar dat iemand een idee pikt, er een slechtwerkend product van maakt, er de meest paradoxale slogan aanplakt, de hele wereld op tien jaar tijd doet veranderen en ook nog de rijkste man op aarde wordt. De man die dit alles voor mekaar bracht heet William Henry Gates III. Bill voor de vrienden, blaast binnenkort 60 kaarsjes uit. Het was deze week veertig jaar geleden, op 22 juli 1975, dat Bill Gates samen met zijn vriend en studiegenoot Paul Allen een bescheiden bedrijfje oprichtte. Ze doopten hun bedrijf Micro Soft maar veranderde deze naam snel in Microsoft. De jonge snaken Bill en Paul waren fel geïnteresseerd in computers. In 1968 waren ze er samen in geslaagd om een timesharing-computer van General Electric te hacken. Stropers zijn de beste boswachters dachten ze bij G.E. want zij kregen prompt een job aangeboden om bugs (programmeerfouten) op te sporen. Van personal computers was er in die tijd nog geen sprake maar er bestond al wel een zelfbouwcomputer, de Altair 8800. Gates en Allen realiseerden zich dat zo’n computer software nodig had en pretendeerden dat zij een stuurprogramma voor deze Altair hadden geschreven. In werkelijkheid hadden zij voor een prikje de rechten van de besturingssoftware QDOS opgekocht en lichtjes bijgewerkt. Microsoft was geboren.

Begin jaren 80 vond het Amerikaanse bedrijf IBM een gat in de markt met de bouw van de eerste ‘personal computer’. Gates en Allen slaagden erin om IBM ervan te overtuigen om hun besturingssoftware te gebruiken, de MS-DOS, wat stond voor Microsoft Disk Operation System. Het leverde hen geen windeieren op want de personal computer zorgde voor een revolutie in de kantoorwereld. In een mum van tijd werden schrijfmachines vervangen door tekstverwerkers op een IBM-pc. De wereld maakte voor het eerste kennis met de Alt-toets en de backslash. In 1985 bracht Microsoft haar eerste besturingsprogramma met een grafische interface op de markt, zij doopten het Windows 1.0. Eigenlijk haalden zij hun mosterd bij Apple, een bedrijf dat computers voor grafische toepassingen op de markt had gebracht. Belangrijk verschil met Apple was dat de software van Microsoft op meerdere computermerken kon werken terwijl Apple enkel op de Macintosh-machines werkten. Maar de grafische interface van Microsoft (bij Apple smalend Mickeysoft genoemd) stond voor de rest mijlen achter op wat ‘de Mac’ toen al vermocht. Het was pas in 1985, met de lancering van Windows 3.0 dat de grafische mogelijkheden al wat dichter in de buurt van hun concurrent Apple kwamen.

In 1995 zorgde Microsoft voor een revolutie met de lancering van hun besturingssoftware Windows 95. De personal computer werd nu via een modem en een telefoonlijn aan het wereldwijde web verbonden en Microsoft leerde ons op het internet surfen en e-mailen dankzij de twee ingebouwde componenten Internet Explorer en Outlook Express. Al was Windows 95 een onstabiele, trage en grafisch povere besturingssoftware, het had wel de verdienste dat het de maatschappij spectaculair deed veranderen. Het inspireerde mij ooit tot de boutade: De geschiedenis van de twintigste eeuw werd gekenmerkt door vier grote catastrofen waarna de wereld nooit meer dezelfde zou zijn en die vier grote catastrofen waren: Sarajevo ‘14, Hiroshima ‘45, Tsjernobyl ‘86 en Windows 95. Wat Windows 95 ook nog bijzonder maakte was de introductie van de grafische startknop en het paradoxale bevel: Om te stoppen, druk op start. Ieder normaaldenkend mens zou bij zo’n opdracht de wenkbrauwen fronsen maar we doen het sinds 1995 systematisch en zonder er zelfs maar één seconde bij na te denken. Meteen leerden wij ook een reeks nieuwe begrippen. Control-Alt-Delete, het apestaartje, een URL en om er helemaal tuureluurs van te worden, kreeg je ook nog regelmatig Dr. Watson op bezoek. Even zag het er naar uit dat de wereld ging vergaan want de gevreesde ‘milleniumbug’ zou op 1 januari 2000 alles plat leggen. Het scheelde zelfs niet veel of wereldwijd zou de staat van beleg worden afgekondigd. De apocalyps van de informatica kwam op ons af. Ondertussen weten we dat de gevreesde bug niet meer was dan een mug en draait de wereld sneller dan ooit. Die apocalyps zou er evenwel kunnen komen als op een dag de Microsoft-software het plots collectief zou laten afweten. Miljarden toestellen gebruiken Microsoft-producten. Niet alleen Windows, maar ook Word, Excel, Outlook, Hotmail, Skype … Microsoft domineert de markt en kwam daarmee dan ook al regelmatig in conflict met de overheid, zowel in Europa als in de V.S. Het kostte hen al miljarden dollars maar dat kon hun dominante positie niet doen wankelen.

Na de versies 95, 98, 98SE, 2000 en ME werd Windows XP in 2001 eindelijk het eerste Windows-besturingssysteem dat iet-of-wat stabiel draaide. Bill Gates was toen al een jaar geen CEO van Microsoft meer. Medeoprichter Paul Allen had Microsoft trouwens al in 1983 verlaten. Bill Gates en Paul Allen zijn met hun Microsoft-verkoopstrategie wel multimiljonair geworden. Gates, die meer dan 60% van de aandelen bezat is zelfs jaren aan een stuk de rijkste man ter wereld geweest. Allen doet het met een plaats in de top-20 van de rijkste Amerikanen ook niet slecht. Zaken en vriendschap gingen ook bij hen niet hand-in-hand. Toen Paul Allen in 1982 geconfronteerd werd met de ziekte van Hodgkin kreeg hij van Bill Gates te horen dat hij ontevreden was over zijn inbreng in Microsoft en werd zijn percentage aandelen teruggebracht. In 1983 hield Paul Allen het dan ook voor bekeken bij Microsoft. In 2011 publiceerde hij zijn autobiografie onder de titel Idea Man. In dit boek rekent hij af met zijn vroegere partner en pc-pionier die hij beschrijft als een ‘lastige baas’ en een ‘enorm hebberige persoon’.  Ik denk dat het Bill Gates, die zich na zijn ‘pensioen’ bij Microsoft vooral bezig houdt met filantropische zaken, worst zal wezen. Met een vermogen van 76 miljard dollar lig je daar volgens mij niet erg wakker van.

Zonder al te veel sluiers te lichten van mijn toekomstige memoires, die u op mijn speciale weblog Copzorgen vanaf 1 december a.s. zal kunnen lezen, kan ik wel stellen dat de geschiedenis van Microsoft en die van de pc tot aan de tablet ook mijn persoonlijke geschiedenis is geworden. Reeds in de vroege jaren 80 was ik aan het experimenteren met mijn eerste homecomputer, een Philips MSX2. Ik had geen enkele notie van computers en had ook geen studies in die richting gevolgd maar ik evolueerde op enkele jaren tijd van een nitwit naar een (bescheiden) wizard. Beroepshalve heb ik ook heel wat opportuniteiten gekregen en heb de voorbije veertig jaren dan ook een zekere reputatie opgebouwd. Ik ben eerder een ervaringsdeskundige waarbij beide delen van het woord niet overdreven zijn al wil ik mij ervoor behoeden om niet te aanstellerig over te komen. Ik poneerde eind jaren 80 al de stelling dat wie zich niet de moeite zou troosten om het gebruik van een pc onder de knieën te krijgen, tegen het einde van de eeuw de facto een analfabeet zou zijn. Ik kreeg uiteindelijk (maar pas jaren later) gelijk ook al werd mijn visie destijds niet op applaus onthaald. Met overtuiging, bloed, zweet en tranen heb ik jaren geprobeerd om mijn collega’s om te scholen van digibeten naar digirati. Bij de meesten is dit ook vrij aardig gelukt, al had ik in mij niet het educatief talent van Wim Opbrouck zoals in zijn hilarische sketch Rutte 98. Keirekeweere! Maar neen, terugkeren naar het pre-computertijdperk hoeft voor mij zeker niet. De goeie, ouwe tijd? Oud wel maar goed? Wat zouden we vandaag nog zijn zonder pc, smartphone of tablet?
Computer Je zou dit artikel dan nooit te lezen gekregen hebben. Q.e.d. Knipogende emoticon



Den boerentram

Na den Boerentoren vorige week is het nu de beurt aan den boerentram, een Antwerpse uitdrukking voor de verdwenen trams van de buurtspoorwegen. Daar is een goede reden voor. Het is dit jaar 130 jaar geleden dat de eerste tram van de buurtspoorwegen in gebruik werd genomen en dat was in Antwerpen. Tenminste… dat dachten wij, maar dat was buiten de waard gerekend en die waard was niemand minder dan Koning Leopold II.

NMVBMet de opening van het eerste treinlijn op het vasteland in Europa tussen Mechelen en Brussel kreeg mobiliteit een nieuwe dimensie. Omdat niet alle regio’s met een treinverbinding konden worden bediend en er -buiten de trams in de grote steden- geen andere vorm van openbaar vervoer bestond, besliste in 1875 de toenmalige regering om een secondair spoorwegnet uit te bouwen dat provinciaal gestructureerd was. Hiervoor werd de Société Nationale des Chemins de fer Vicinaux opgericht, later in het Nederlands vertaald als de Nationale Maatschappij Van Buurtspoorwegen (afgekort NMVB). De eerste lijn moest die van Antwerpen via Hoogstraten naar Turnhout worden en die moest normaliter in mei 1885 geopend worden. Omdat deze lijn vanuit de stad door het agrarische deel van de Kempen trok noemden de Sinjoren deze tram wat oneerbiedig ‘de boerentram’. Elders noemden ze de boerentram ook wel eens ‘de vicinal’. Er werd evenwel aan verschillende lijnen tegelijk gebouwd, in de regio Kortrijk (naar Menen en Moeskroen), in de Borinage en in de regio Hasselt-Genk, allemaal regio’s die een industriële bloei kenden en er dus alle belang bij hadden dat ze werknemers uit een grotere radius konden aantrekken. Er werd ook een lijn voorzien aan de kust, tussen Oostende en Veurne. Deze buurtspoorweglijnen kregen een kapitaalnummer overeenkomstig hun volgorde van oprichting. Lijn 1 werd dus Antwerpen-Hoogstraten-Turnhout en lijn 2 Oostende-Nieuwpoort-Veurne. Zo ging het dan verder tot lijn 204, een nooit voltooide verbinding tussen Mechelen en Muizen. Het was Koning Leopold II echter een doorn in het oog dat de eerste buurtspoorlijn zou geopend worden in Antwerpen. Met de centen van zijn vleespotten op de evenaar ging hij graag eens een gokje wagen. Hij was dan ook een frequent bezoeker van het casino en de paardenrenbaan van Oostende waar hij een graag geziene gast was. Zijn koninklijke villa lag er ook maar op een boogscheut van verwijderd. Het kusttoerisme stond nog in de kinderschoenen en was vooral voor de betere burgerij weggelegd. Om deze nieuwe economie een duwtje in de rug te geven was een tramlijn langsheen kuststeden zeer welkom. Enige belangstelling van het koninklijk paleis was dan ook graag meegenomen. Leopold II had er ooit zelfs een mini-koningskwestie voor over om zijn geliefde casino’s ter wille te zijn. Toen het parlement een wet had aangenomen waardoor de casino’s onder staatscontrole zouden komen weigerde Leopold II deze wet te bekrachtigen. Eindeloos talmend liet hij de wettekst op zijn bureau liggen en herhaaldelijk aandringen van zijn eerste minister kon hem er niet toe bewegen de wet te ondertekenen. Toen de eerste minister om uitleg in de Kamer werd gevraagd stapte hij resoluut naar de Koning en meldde hem dat hij het ontslag van zijn regering zou aanbieden omdat zijn regering de aarzeling van de Koning niet langer kon steunen, waarop Leopold II prompt zijn pen nam en zijn handtekening onder het document zette. Een koningskwestie was vermeden maar voor-wat-hoort-wat moet Leopold II gedacht hebben en hij eiste dan wel dat de eerste buurtspoorwegtram de kusttram zou zijn. Zo geschiedde dan ook en op 5 juli 1885 werd het eerste stuk van de buurtspoorweglijn tussen Middelkerke en de ‘Koningin der badsteden’ plechtig geopend door Leopold II. Ik vermoed dat hij zich na zijn protocollaire verplichtingen linea recta naar het casino begaf. Lijn 1 van Antwerpen naar Turnhout werd met flauwe excuses vertraagd en enkele maanden later dan voorzien geopend. Vanaf dan werd het buurtspoorwegnet met een blits tempo verder uitgebouwd. Tien jaar later was er al 1.325 km buurtspoorweglijn in gebruik.

In 1920 liepen was er meer dan vierduizend kilometer tramspoor voor buurtspoorwegen aangelegd en het net bereikte tijdens het interbellum een hoogtepunt met meer dan vijfduizend kilometer spoorlijn. In tegenstelling tot wat soms verondersteld wordt waren de eerste buurtspoorweglijnen geen paardentrams. Die paardentrams werden wel ingezet bij de eerste stedelijke tramnetwerken, ook in Antwerpen. De eerste buurtspoorwegtrams werden getrokken door stoomlocomotieven. De eerste wetgeving voorzag ook niks over de breedte van de sporen. De meeste provincies hadden sporen van 1000 mm breedte, de gangbare breedte voor treinsporen was toen 1435 mm. In Antwerpen werd er gekozen voor sporen van 1067 mm omdat dit de gangbare spoorbreedte in de aangrenzende Nederlandse provincie Noord-Brabant was.Vergeet niet dat er nog geen tunnels onder de Schelde lagen en de verbindingen via Noord-Brabant waren belangrijk voor de haventrafieken. De buurtspoorwegen waren er immers niet alleen voor personenvervoer, er werden ook goederen verzet via het regionaal buurtspoorwegennetwerk en dus was een vlotte aansluiting noodzakelijk. Een verkeerde keuze, zo bleek later, want van de aansluiting met het Noord-Brabantse netwerk is niks in huis gekomen. Kort na de eeuwwisseling werden de eerste lijnen geëlektrificeerd. Aanvankelijk was het de NMVB enkel toegelaten om spoorlijnen te exploiteren maar vanaf 1924 kreeg de NMVB toestemming om ook buslijnen te exploiteren weliswaar enkel ter aanvulling of ter vervanging van de bestaande tramlijnen. Pas in 1931 kreeg de NMVB de toelating om autonome buslijnen te exploiteren. Na de Tweede Wereldoorlog werd het bestaande spoorlijnnetwerk gestaag afgebouwd en werden ter vervanging buslijnen opgezet. De verovering van het wegennet door Koning Auto deed de populariteit van het openbaar vervoer in het algemeen en van de buurtspoorwegen in het bijzonder enorm dalen. Vooral omdat de boerentrams vaak in conflict kwamen met het autoverkeer, waarmee ze samen de openbare weg moest delen. De afbouw van de tramlijnen werd in amper 20 jaar verwezenlijkt. De bijna 5.000 km spoorweginfrastructuur in 1945 werd halverwege de jaren 50 al gehalveerd en in 1960 schoot er minder dan 1.000 km over. De laatste boerentram in Antwerpen, die reed op lijn 61 van Antwerpen naar Schoten, werd op 25 mei 1968 uit dienst genomen. Volkszanger Wannes Van de Velde luisterde met zijn doedelzak dit plechtig moment op. O ironie van het lot, de buurtspoorwegen verdwenen bijna volledig behalve … aan de kust. De lijn die Leopold II als eerste wenste te openen is de enige buurtspoorweglijn die nog bestaat in Vlaanderen en ze loopt nog grotendeels over hetzelfde traject.

Ik heb altijd een bijzondere band met het openbaar vervoer gehad, niet alleen met de stadstram maar ook met de boerentram. Als kleine jongen reisde ik vaak met mijn ouders met de boerentram vanaf Merksem, waar ik opgroeide, naar Wuustwezel, waar mijn grootouders (langs moeders zijde) woonden. Met tram 64 van ‘de Vakschool’ tot aan ‘den Drijhoek’. In de zomer, op vakantie in Bredene of in Blankenberge, mocht een ritje naar Oostende niet ontbreken. Wist je trouwens dat, tot aan de wereldtentoonstelling van Brussel in 1958, het langste bouwkunstwerk van de buurtspoorwegen in Wallonië lag, tussen Membre en Bohan. Laat dit laatste nu uitgerekend het dorpje zijn waar ik regelmatig mijn mijn andere grootouders, die langs vaders zijde, ging kamperen in de zomervakantie. Ik heb er uren met mijn grootvader zitten vissen vlakbij de brug over de Semois, maar was mij toen nog niet bewust dat ik vlakbij een historisch kunstwerk van de buurtspoorwegen zat. Aan de tram ontlenen wij in ‘t Stad nog twee typisch begrippen, de ‘wattman’ en de ‘receveur’. De ‘wattman’ is de bestuurder van de (elektrische) tram en de ‘receveur’ was de ontvanger. Destijds zaten er in elk tramstel minstens twee personeelsleden, bij gelede voertuigen zelfs meer want in elke wagen zat er een ‘receveur’. Je moest toen achteraan opstappen en bij de ontvanger een reiskaartje kopen. De ‘wattman’ bestaat nog maar de ‘receveur’ is definitief verdwenen en vandaag vervangen door een ‘app’. Tot slot ook niet vergeten te vermelden dat het trammuseum dat nu in Berchem aan de Groenenhoek is gevestigd, waar destijds mijn grootouders woonden en mijn vader opgroeide, tot voor enkele jaren in de loodsen van Fort V was ondergebracht, in mijn huidige woonplaats Edegem. De tram heeft dus langs heel mijn levenspad gereden. Het korte filmpje (onderaan dit artikel) is trouwens volledig in mijn habitat van de jaren 60 opgenomen.

Het moet toch zijn dat die boerentram niet zo slecht was want een halve eeuw nadat alle buurtspoorwegtrams door bussen werden vervangen is er terug een tendens in Vlaanderen en Brussel om regionale tramlijnen te trekken. Misschien hadden we in de jaren 80 het voorbeeld van Charleroi moeten volgen. Daar werden de oude buurtspoorweglijnen geïntegreerd in een nieuw voorstadsnet. Het is niet dat ge rijk wordt van al deze geschiedkundige informatie maar als ge deze zomer aan zee eens op de kusttram stapt dan kan je met die Duitse toeristen toch eens over iets anders praten dan over het weer.



Antwerpse smaken … pickels en pudding

Het lijkt een rare combinatie en ik zou het culinairgewijs ook niet aanraden deze twee producten op één bord te serveren. Da’s kut met peren, zou Sergio Herman zeggen.Toch zal aan het einde van dit artikel blijken dat deze twee in Antwerpen hand in hand gaan.blauwehand1 Op onze Vlaamse feestdag leek het mij het goede moment om enkele Antwerpse ondernemers in de kijker te zetten. Iconen van de voedingsindustrie die met hun ondernemerschap de Vlaamse zaak hebben gediend en vandaag nog steeds hun sporen nalaten in de Koekenstad en zelfs ver daarbuiten.

Mijn verhaal begint in 1760. Aan de Paardenmarkt start ene Constant Bosiers een azijnbrouwerij. Er waren toen wel meerdere azijnbrouwerijen in Antwerpen want azijn was in die tijd, net als pekel, een ideaal basisproduct om eetwaren langdurig te bewaren. Bosiers gaf zijn brouwerij de naam De Blauwe Hand. De hand was uiteraard een verwijzing naar het symbool van de stad. Het blauw was een verwijzing naar de ververswijk waarin de fabriek was gelegen. Vlakbij vinden we vandaag, in het beruchte Schipperskwartier, nog de Verversrui die verwijst naar deze ambacht. De lakenververs liepen er toen vaak rond met blauwgekleurde handen. Vandaag zijn er heel andere activiteiten op de lakens in de Verversrui. Bosiers’ onderneming kende succes en omdat de eerste brouwerij te klein werd, opende hij een tweede site op de Falconrui. Later nog een aan de Rijnpoortvest en nog later een op het Zuid in de Pourbusstraat. Rond de eeuwwisseling van 1900 produceerden zijn nazaten dagelijks 15.000 liter azijn. De versnippering van de brouwerijen deden de opvolgers van Bosiers, de familie Cuypers-Van Riel, besluiten om een nieuwe, grotere locatie te zoeken. Die vonden ze in Deurne, in de wijk Kronenburg. Naast de nieuwe fabriek lag de Kempische vaart en werd daarna het Albertkanaal gegraven. Met de bouw van het Albertkanaal kwam er ook een langere en hogere brug te liggen naast de fabriek, een brug die de gemeenten Merksem en Deurne verbond. Deze brug kreeg de volksnaam ‘de brug van den Azijn’, verwijzend naar de azijnbrouwerij De Blauwe Hand. Azijn De Blauwe Hand was ondertussen een begrip geworden in de voedingswereld. Op de Wereldtentoonstelling van 1910 in Brussel had De Blauwe Hand een erediploma behaald. Een belangrijk klant van azijnbrouwerij De Blauwe Hand was de sauzenfabricant Devos-Lemmens. In 1886 startte Henri Devos samen met zijn vrouw Elisabeth Lemmens een beenhouwerij aan de Haantjeslei op het Zuid. Hij hield het niet alleen op vleesbereidingen maar experimenteerde ook graag met kruiden en geconserveerde groenten. In 1906 verkocht hij de beenhouwerij en startte een conservenfabriek in Hoboken die de logische naam Devos-Lemmens meekreeg. Hij legde aanvankelijk augurken en zilveruitjes op azijn maar maakte ook sauzen in conservenbokaal, ideaal voor de opkomende frituurcultuur. Mayonaise, mosterd en Belgian pickles, een variant op de Engelse piccalillysaus van Crosse and Blackwell. Met die pickles bracht Devos-Lemmens een nieuw product en een nieuwe smaak op de Belgische tafel. De mayonaise en de pickles zouden de topproducten worden waarmee Devos-Lemmens naam en faam verwierf. In 1966 fuseren Devos-Lemmens en azijnbrouwerij De Blauwe Hand en werd er een nieuwe fabriek gebouwd in Puurs.


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.


In 1903 startte Antwerpenaar John Collin een bedrijf aan de Paardenmarkt, Imperial Products. Het bedrijf bracht bakpoeder en pudding op de markt. Het procedé voor bakpoeders leerde hij in Engeland maar het procedé om met poeder pudding te maken was zijn uitvinding waarop hij dan ook een patent nam. Imperial Products wist via de grootwarenhuizen snel de weg naar de consument te vinden en groeide in enkele jaren uit tot een Vlaams voedingsimperium. In 1925 kwam Fernand Collin, de tweede zoon van John, aan het hoofd van Imperial Products te staan. Fernand Collin was een briljant jurist en een veelzijdig ondernemer. Het familiefortuin dat Imperial Products had opgeleverd investeerde hij in een bank. Het moest een Vlaamse bank worden, een bank die de Vlaamse handel en nijverheid moest steunen en groot maken. In 1921 werd, letterlijk en figuurlijk op het puin van de Eerste Wereldoorlog, de Algemeene Bankvereeniging opgericht. Het was een gezamenlijk initiatief van de Volksbank uit Leuven en enkele financiële groepen rond burgemeester Frans Van Cauwelaert, journalist en pionier van de Vlaamse beweging. Via deze bank zag Frans Van Cauwelaert zijn kans om in Antwerpen een uniek project op te zetten, de eerste wolkenkrabber van Europa. Dit bouwwerk diende te worden gebouwd op de hoek van de Schoenmarkt, de Eiermarkt en de Beddenstraat waar nog de puinresten lagen van enkele huizen die tijdens de grote oorlog werden kapot geschoten. Het bouwwerk moest het sluitstuk worden van de Wereldtentoonstelling van Antwerpen in 1930. De Sinjoren stonden zeer sceptisch tegen dit project en er ging aan de bouwtoelating een zeer turbulente gemeenteraadszitting vooraf maar op 28 augustus 1928 was de kogel door de spreekwoordelijke kerk. De moeilijke verstandhouding tussen stad, bank en architect belemmerden de vooruitgang van het project en de apotheose van de Wereldtentoonstelling werd dan ook niet gehaald. Uiteindelijk zou het Torengebouw (zoals het aanvankelijk genoemd werd) pas in de tweede helft van 1931 in gebruik genomen worden. Op de opening van het publieke pronkstuk, de panoramazaal op de hoogste verdieping van het 87,50 hoge gebouw, was het nog wachten tot maart 1932. De Antwerpenaren gaven de wolkenkrabber de bijnaam Boerentoren mee, een sneer naar de Boerenbond die een belangrijke vinger in de pap had bij de bank die er haar kantoren onderbracht. Ondertussen had de financiële crisis van de jaren 30 toegeslagen en ging de Algemeene Bankvereeniging bijna over kop. In 1935 werd zij overgenomen, samen met nog enkele andere kleinere banken in nood, door de investeringsmaatschappij Algemene Maatschappij voor de Nijverheid (Almanij) waarvan Fernand Collin voorzitter was en kreeg zij de naam Kredietbank voor Handel en Nijverheid, kortweg de Kredietbank. Het Torengebouw werd de maatschappelijke zetel van deze bank en werd meteen ook een landmark in de koekenstad. De Kredietbank groeide uit tot een van de grootste Belgische banken en verwierf, na de latere fusies thans onder de naam KBC, haar vaste positie in de BEL 20. Fernand Collin was een felle voorstander van een Europese munt en was een van de pleitbezorgers voor de euro waarmee we vandaag betalen. Niettemin bleef hij het Vlaamse gedachtengoed trouw en gaf in de jaren 80 zelfs symbolisch een muntstuk van 50 Vlaamse franken uit. Het was geen gangbare munt -want dat zou wettelijk niet mogelijk zijn- maar als statement kon de uitgave van dit ‘collector’s item’ wel tellen. Ondertussen heeft de Sinjoor haar Boerentoren in de armen gesloten en werd de eerste wolkenkrabber van Europa een van de belangrijkste gebouwen van de stad. Zij heet ondertussen ook officieel Boerentoren en het gebouw werd geklasseerd. Wie er vandaag aan zou denken om het gebouw te slopen krijgt zonder twijfel gans de koekenstad op zijn dak.
Fernand Collin was ook een zeer sportieve man en stak ook aardig wat centjes in een ander Antwerps icoon, de oudste club van het land met het fiere stamnummer 1, Royal Antwerp Football Club. Hij was van 1934 tot 1968 voorzitter van ‘den Aantwaarp’ en zijn zoon Paul Collin en zijn dauphin en opvolger bij de Kredietbank en later ook voorzitter van Antwerp, Eddy Wauters, speelden er in de eerste ploeg in de jaren 50. Het Bosuilstadion in Deurne, de thuishaven van RAFC, was tijdens het voorzitterschap van Fernand Collin, een monument in de voetbalwereld. Tevens ook de thuishaven van de Rode Duivels destijds met de legendarische België-Holland-wedstrijden als hoogtepunt. Helaas is ook de oudste club van ‘t land een tanende ster aan het firmament en kwijnt ze al jarenlang weg in de tweede klasse. Het stadion van weleer is vandaag niet veel meer dan een ruïne. Een paleisrevolutie met oud-voorzitter Eddy Wauters en de nazaten van wijlen Fernand Collin enerzijds en het immobilieënduo Hofmans-Verhaegen anderzijds bracht de club aan de rand van  de afgrond. Het is dan ook zeer de vraag of de nieuwe sterke man op de Bosuil, Patrick De Cuyper, het tij kan doen keren en de club terug naar het hoogste echelon kan brengen. Ambitie is er in ieder geval genoeg.

In 1968 kwam het tot een fusie van Imperial Products en Devos-Lemmens (dat toen al De Blauwe Hand had overgenomen) en verhuisden alle activiteiten naar Puurs waar zij onder de naam Continental Foods verder gingen. Fernand Collin werd meteen ook voorzitter van het grootste voedingsbedrijf van Vlaanderen, dat vier jaar later ook het Nederlandse chocoladebedrijf Kwatta opslorpte. In 1985 kwam het Vlaams voedingsconcern echter in handen van de Yankees. Campbell Soup, dat wereldfaam had verworven door popart-kunstenaar Andy Warhol, verwierf de meerderheidsaandelen. Een zoveelste nationaal symbool kwam in handen van buitenlanders met als enige magere troost dat Devos-Lemmens nog steeds op de tweede plaats staat als meest geliefde merknaam in ons land, na Côte d’Or en voor Nivea, zo bleek uit een recent onderzoek.

De brug van den azijn, den Boerentoren, den Bosuil … het zijn begrippen in de Koekenstad die allemaal verwijzen naar succesvol Antwerps ondernemerschap. Een barbecue op de Vlaamse feestdag ? Dan mogen de sausjes van Devos-Lemmens zeker niet ontbreken. Oh ja, vergeet de vinaigrette niet voor de sla, met azijn De Blauwe Hand natuurlijk. Nog gauw een tip van S.O.S. Welide meegeven: leg eens een mals stukje paardensteak op de bbq en serveer daar een flinke schep Belgian pickels bij. En als toetje: Imperial vanillepudding, met een ‘petit-beurreke’. En vergeet al die flauwe kul zoals tapas, want dat is ordinaire charcuterie met veel pretentie.

Zolang de leeuw kan klauwen, zolang hij tanden heeft !
zal hij vlees eten :-)


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.