Antwerpse smaken … de gaarkeuken

Vandaag heb ik het niet over een specifiek gerecht, een drankje of een snoepje maar over een bijna verdwenen typisch Antwerps etablissement, de gaarkeukens van de haven. Ik hoor nu al sommigen denken: een gaarkeuken bestaat toch niet enkel in Antwerpen. Juist, maar de gaarkeukens bij de havendokken waren wel zeer bijzonder en kende een aparte geschiedenis.

Voor de jongere generatie, een gaarkeuken is de moeder aller snackbars en bestond al lang voor de eerste frituur of broodjeszaak in het straatbeeld verscheen. De eerste gaarkeukens in Europa stammen -hoe kan het ook anders- uit de tijd van Napoleon. Eigenlijk legde de Amerikaanse filosoof en fysicus Benjamin Thompson graaf Rumford de basis voor de hedendaagse gaarkeukens. Hij was de uitvinder van o.a. het moderne kookfornuis, de convectieverwarming, de waterboiler, de koffiepot en de snelkookpan, in de koekenstad nog vaak een Miss Mary genoemd. Een merknaam wellicht afkomstig van één van de vele vrouwen en maîtresses van onze Benjamin. Hij deed als natuurfysicus baanbrekend werk op het vlak van thermodynamica maar was blijkbaar ook buiten zijn labo een hete stoof. Als filosoof en sociaal bewogen man begon hij ook met de organisatie van eethuizen voor daklozen en minderbedeelden. Hij noemde ze soup kitchens. De behoeftigen konden in zijn eethuizen terecht voor een warme bol soep en konden er ook even komen schuilen voor regen of sneeuw of om zich even te verwarmen. Vergelijkbaar met wat o.a. Poverello vandaag nog doet.

De werkomstandigheden in de Antwerpse haven waren in de 19e eeuw ook zeer bar. De dokwerkers moesten hun boterhammen tijdens de schafttijd onder de blote hemel nuttigen of in het beste geval onder de open hangars. Bij een typisch Belgisch weer van regen en wind in de lente of herfst, van hagel en sneeuw in de winter of een bloedhete zomerzon in juli of augustus voorwaar geen plezier. De overheid gaf de natiebazen dan ook de opdracht om betere accommodatie te voorzien. Die natiebazen paarden dan direct het nuttige aan het aangename en installeerden in de directe omgeving van de dokken en kaaien gaarkeukens. In die gaarkeukens konden de arbeiders aanvankelijk niet alleen terecht om hun schoofzak te ledigen en te genieten van een kom warme soep, de natiebazen gebruikten deze instellingen tegelijk ook als aanwervingslokaal. Er was dan ook niet alleen een keuken, er was ook een toog waar de tapkraan continu bier stortte en waar de druppels met heel der kruiken werden gesleten. Deze praktijken werkte het alcoholisme zwaar in de hand en zo kreeg een sociaal goed bedoeld initiatief al gauw een pervers effect. De wetgever kwam dan ook tussen en verbood de aanwervingsactiviteiten in de gaarkeukens en verwees hen naar een speciale locatie, in Antwerpen ‘het Kot‘ genoemd.

De gaarkeukens in de haven bleven wel bestaan en voor aangename lunchpauzes zorgen. In de gaarkeuken was iedereen welkom en iedereen kwam er ook langs. Dokwerker, foreman of natiebaas, sleepbootkapitein of schipper, markeur of stouwer, directeur of bediende … allemaal zaten ze zonder enig onderscheid van rang of stand samen aan de grote tafels van de gaarkeuken. Zelfs de wijkagent van de Bordeauxstraat, in die tijd ‘een wout‘ genoemd, kwam er koffie drinken. In de loop van de 19e en 20e eeuw steeg het aantal gaarkeukens tot zo’n twintigtal. Vandaag is het aantal geslonken tot welgeteld één. Enkel de gaarkeuken 110 bestaat nog en is zelfs the place to be geworden in de haven. Voor de leken, in de haven noemen ze de locaties bij hun kaainummer. Je moet aan een doorsnee dokwerker niet naar de Vosseschijnstraat vragen maar als je spreekt over 110, 142 of 170 dan weet hij direct dat je in de Vosseschijnstraat moet zijn en aan welke dok dit kaainummer te vinden is en kom je op de juiste locatie terecht. Herinner je de Vlaamse tv-reeks van eind jaren 80, Langs de kade, nog? Neen? Klik dan even op deze hyperlink. Dat politiebureel lag ter hoogte van kaai 170 en werd steevast den 170 genoemd. Gaarkeuken 110 is het laatste overblijfsel van een stukje Antwerpse eetcultuur en houdt de traditie van de gaarkeukens van weleer in ere. Iedereen is hier welkom en schuift mee aan de grote tafel. Je mag er nog steeds je eigen boterhammen komen opeten, al brokkelt die traditie stilaan af. Om twee redenen, ten eerste omdat het bij de doorsnee werknemer van de 21e eeuw bijna not done is om zelf nog boterhammen mee te brengen en ten tweede omdat de prijs voor de maaltijden in den 110 zo laag liggen dat je het er niet voor moet laten. Ook dit laatste is een merkwaardig fenomeen in een stad waar de horeca steen en been klaagt dat ze teveel taksen moeten betalen en de loonkosten te hoog liggen maar waar een gewone friturist blijkbaar binnen het jaar met een peperdure bolide moet kunnen rijden. Gelukkig houden de uitbaters van gaarkeuken 110 er nog een andere filosofie op na, nl. die van haar stichter. Een warme en warmhartige keuken voor een eerlijke prijs voor de eenvoudige werkman.

De gaarkeukens kwamen er steeds door sociale weldoeners en sponsors. De gaarkeukens in de Antwerpse haven werden bijna allemaal betaald door bierbrouwers. De laatst overgebleven gaarkeuken, die van den 110, werd destijds gebouwd door brouwerij Maes in Waarloos. De eerste gaarkeuken in de Amerikaanse stad Chicago werd geopend tijdens de grote depressie van de jaren 30 voor de velen daklozen die daar rondzwierven. Deze gaarkeuken werd destijds gesponsord door … Al Capone.

Ik sluit af met een Antwerpse dokwerkerswiki. De havenarbeiders gingen naar hun werk met een kopzak, een cilindervormige, waterdichte reiszak met een stropkoord die over de schouder gezwierd meegedragen werd. In die kopzak stak hun schoofzak, dialect voor hun belegde boterhammen, en hun goert, een metalen drinkbus, een verbastering van het Franse woord une gourde. Sommige dokwerkers waagden het er wel eens op om iets van de scheepsvracht mee te grissen, scheef slagen noemden ze dat. Als ze op een controlepost van de politie botsten dan hadden ze pech. Als de wout van de Bordeauxstraat hen betrapte met een handje bananen in hun kopzak dan sprak hij beschuldigend: Scheef geslagen zeker? Een attente dokwerker antwoordde dan met: Nee nee, die waren zo.



Nennongtmènenoegenootoep

Er bestaan twee soorten Antwerpenaars, zij die ‘den oorlog’ hebben meegemaakt en zij die ‘den oorlog’ niet hebben meegemaakt. Da’s al. Het klinkt triviaal maar het is heel arbitrair. Eén ding hebben beiden gemeen, ze zijn heel assertief. In ‘t stad beschrijven ze dit als volgt: Hij klapt tegen iedereen, zelfs tegen een hond met een hoge hoed op. Over die hoge hoed wil ik het nu even hebben want die betekende veel voor de Sinjoren die ‘den oorlog’ wel hebben meegemaakt.

Een hoge hoed is in het Engels Tophat en dat roept in Antwerpen twee herinneringen op. De eerste brengt ons vandaag tachtig jaar terug in de tijd. In augustus 1935 kwam de Hollywood-film Tophat uit. Een muzikale film met het koningskoppel van de dansfilms in de hoofdrol, Fred Astaire en Ginger Rodgers. Als je met een Sinjoor van voor ‘den oorlog’ over Fred Astaire en Ginger Rodgers spreekt, die bijna altijd in één adem worden genoemd, dan is het nog altijd alsof je over de koning en de koningin spreekt, niks dan adoratie dus. Tophat werd hun meest succesvolle film en werd met diverse Oscars bekroond. De muziek van de film werd geschreven door niemand minder dan Irving Berlin en die heeft een bijzondere band met de Sinjorenstad. Irving Berlin vertrok destijds, net als de ouders van Fred Astaire overigens, als jong ukje aan de hand van zijn vader en moeder met een passagiersschip van de Red Star Line naar New York, op zoek naar een beter bestaan. En of hij daar in geslaagd is. Zijn migratieverhaal neemt een prominente plaats in het RSL Museum in. Hierover had ik het al eens in mijn blogartikel I’m dreaming of a White Christmas. De film Tophat wordt bijna ook in één adem genoemd met het succes van de cinema’s in Antwerpen voor en na de Tweede Wereldoorlog. Cinema’s waren toen enorm hip. In elke wijk, wat zeg ik: in bijna elke straat, was er toen een cinemazaal. Het was zelfs geen aardigheid toen om op een zondag zelfs twee of drie films na elkaar te gaan zien. Op haar hoogtepunt telde de stad liefst 130 cinemazalen, bijna evenveel als het aantal tv-kanalen vandaag.



Maar het begrip Tophat roept bij de vooroorlogse Sinjoor nog andere herinneringen op. Na de val van het Nazi-regime en het beëindigen van de oorlog in mei 1945 dienden honderdduizenden Amerikaanse soldaten en hun materiaal terug over de grote plas te worden getransporteerd. Hiervoor werden diverse wachtkampen gebouwd waaronder ook een in Antwerpen. De Antwerpse haven was quasi onbeschadigd uit de klauwen van Hitler bevrijd en was als wereldhaven uiteraard uiterst geschikt om de grote schepen te ontvangen voor de repatriëringen. Op Linkeroever bouwden de Amerikanen een groot tentenkamp dat Tophat werd gedoopt. Die naam kwam niet van de populaire dansfilm, zoals wel eens wordt verondersteld, maar wel van een Belgisch sigarettenmerk uit die tijd. Ook de andere wachtkampen, zoals bv. in de Franse havensteden Rouen en Le Havre, kregen een sigarettenmerk als roepnaam mee. Pall Mall, Lucky Strike, Chesterfield … ronkende (of beter rokende) namen voor de Amerikaanse wachtkampen. Sigaretten roken was bij de Yankees synoniem voor stoer en viriel, denk maar aan de Marlboro-cowboy. Ook G.I.’s en sigaretten waren onafscheidelijk. De Amerikaanse soldaten deelden trouwens graag sigaretten uit aan de euforische bevolking tijdens hun bevrijdingstocht.

Het was geen toeval dat het kamp Tophat op Linkeroever werd neergepoot. Linkeroever, zoals we dit vandaag kennen, bestond nog niet. Het was toen een grote open lege vlakte, bijna even groot als de stad zelf, met enkel een beetje bebouwing aan de Scheldeboord en aan het fort, een gebied met een militaire functie. Men sprak toen ook nog niet over Linkeroever maar over het Vlaams Hoofd of over het Sint-Anneke. Ik had het over de stadsontwikkeling op de linker Scheldeoever al in mijn blogartikel En mosselen oep ‘t Sint-Anneke. Er lagen sinds 1934 al wel twee tunnels die verbinding maakten tussen het kamp en de stad. Het kamp lag vlakbij de autotunnel, door de Sinjoren ‘de Konijnenpijp’ genoemd, langsheen de Charles de Costerlaan en de (sinds de aanleg van de Kennedytunnel en de Expressweg zo goed als verdwenen) Dwarslaan. Vanaf juni 1945 werden de werken aan het kamp, dat officieel Headquarters Staging Area Chanor Base Section APO 562 noemde, aangevat. Eerst moesten er zo’n 7.000 landmijnen worden opgeruimd die de Nazi-troepen er kwistig hadden rondgestrooid. Voor die karwei werden Duitse krijgsgevangenen ingezet. Dan werden er wegen aangelegd door de Amerikaanse genietroepen en vervolgens werden er 2.500 tenten en 500 gebouwen opgetrokken. Het kamp werd voorzien van o.a. twee cinema’s, twee openluchttheaters, een ijsroomfabriek, een bakkerij, een bibliotheek, een wasserij, drie kapsalons en een medisch centrum. Ook waren er voor elke godsdienst gebedshuizen. Een waar huzarenstuk om dit complex in een minimum van tijd op te trekken. Gemiddeld verbleven er 15.000 Amerikaanse soldaten, netjes gescheiden in het gedeelte voor de blanken, de zwarten en de indianen. De militairen genoten er, na maanden van ontbering tijdens de oorlog, van een comfortabel leven. Zo’n 2.500 Duitse krijgsgevangenen deden er de was en de plas. Amusement en vertier stonden bovenaan op het dagschema van de militairen. 34 ton voedsel, 3.000 liter koffie en duizenden donuts werden er per dag gesleten, om nog maar te zwijgen over de hectoliters bier die in de vijf ‘beer taverns’ weelderig uit de tapkranen vloeiden. De Sinjoren pikten graag een graantje mee. Met trossen kwamen ze afgezakt naar ‘den Tophat’. De ene om te werken en er een goede cent mee bij te verdienen, de andere om te delen in vertier en plezier. Er zijn, voor zover mij geweten, geen cijfers bekend over het aantal condooms dat er verbruikt werd noch over het geboortecijfer van Antwerpse baby’s met een Yankee-DNA in 1946. Ik ken er zelf ook wel één, maar ik heb beroepsgeheim. Hoedanook, het kamp heeft er amper tien maanden gestaan en heeft ‘slechts’ 62 huwelijken opgeleverd maar de meeste meisjes kwamen pas tot de vaststelling dat zij een oorlogsbuit te pakken hadden wanneer hun ridder met de blanke sabel al lang op de boot zat, op weg naar het land van Coca-Cola en chewing gum.

In april 1946 werd het kamp ontruimd. Wat is er van overgebleven? De Amerikanen betaalden de stad Antwerpen 100.000 (oude Belgische) frank voor de opruiming. Elke Amerikaanse soldaat mocht één wapen als souvenir meenemen en de rest bleef gewoon achter. Wapens, munitie, jeeps, vrachtwagens … het werd allemaal in de grond begraven en er werd een bos bovenop geplant, het huidige Sint-Annabos. Enkel de kantine van de -inmiddels opgedoekte- voetbalclub Sparta Linkeroever was nog een overblijfsel van de barakken van weleer. De stadsuitbreiding op Linkeroever in de jaren 60 heeft niet verder dan tot aan dit bos gereikt. Het bos mag er dan wel uitzien als een groene long, het is zowat het meest (met metaal) vervuilde stuk grond in Vlaanderen. Een gespecialiseerd bedrijf heeft de grond reeds onderzocht en hun metaaldetectoren sloegen vuurrood uit. Dit zal nog wel pijnlijk blijken wanneer ze het BAM-tracé door dit bos gaan trekken. Als dat er ooit komt natuurlijk. Ik ben dan ook zeer benieuwd welk wit konijn onze politici hiervoor uit hun ‘Tophat‘ gaan toveren.


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.


Ich bau dir ein Schloß

15 augustus, voor een echte Sinjoor betekent dit maar één ding: Moederdag. Menig mini-Sinjoortje zal dan ook vandaag voor hartenbreker spelen door zijn mama of oma te bestormen met een cadeau, een bosje bloemen of gewoon een dikke pakkerd. Voor mij het ideale moment om een moederhartenbreker van weleer in de kijker te zetten. Vorige week werd het vroegere kindsterretje Heintje 60. Heintje, geboren op 12 augustus 1955 als Hein Simons, veroverde in 1967 de harten van miljoenen Nederlandse, Vlaamse èn Duitse moeders met zijn versie van een Italiaanse klassieker van Robertino Loreti onder de eenvoudige maar universele titel Mama. Het braaf ventje uit Kerkrade werd ontdekt door de Hollandse platenbaas Addy Kleingeld die van Heintje het kindsterretje van de sixties maakte. Zijn producer mikte echter vooral op de Duitse schlagermarkt en Heintje schakelde bijna onmiddellijk over op Duitstalige liedjes. Met zijn versie van Mama werd hij dan wel heel beroemd, tophits kreeg hij pas met zijn Duitse schlagers zoals Heidschi Bumbeidschi en Ich bau dir ein Schloß. Om zijn Hollandse roots nog even te accentueren bracht hij nog een ode aan zijn vaderland met Ik hou van Holland. Begin jaren 70 trok hij volledig de Duitse kaart en verdween hij bijna volledig uit de belangstelling in de Lage Landen.

Hein Simons heeft een bijzondere band met ons land en met een weinig bekend stukje vaderlandse geschiedenis. Wist u bijvoorbeeld dat zijn geboortestad Kerkrade tussen 1830 en 1839 Belgisch grondgebied was? Met zijn tophit Ich bau dir ein Schloß zette hij zelfs het woord bij de daad en nog wel op Belgische bodem. In 1981 trouwde hij met zijn jeugdvriendin Doris. Hij kocht in Moresnet het oude kasteeldomein Schimper en verbouwde het tot een grote manege hoeve. Moresnet is een dorp nabij Kelmis, aan de grens met het Nederlandse Vaals en de Duitse Keizer Karelstad Aken. Wat evenwel minder bekend is, is het feit dat Moresnet een apart maar weinig belicht hoofdstuk in onze geschiedenisboeken vult. Moresnet was een eeuw lang immers een quasi onafhankelijke staat, een ministaatje op Belgische bodem. Dat vraagt om uitleg.

De geschiedenis van Moresnet brengt ons terug naar de val van Napoleon. Nadat Napoleon voor de eerste keer naar Elba verbannen werd boog het Congres van Wenen zich over de nieuwe staatkundige indeling van Europa. Een moeilijke -zeg maar onmogelijke- oefening waar men amper uit raakte. In die periode ontstond het Koninkrijk der Nederlanden, waar ook ons land toe behoorde, en waarover ik het al had in mijn blogartikel Oranje boven!. Over een relatief klein stuk land raakte men het maar niet eens en dat stukje lag rond de plaats Moresnet. Als men het niet eens raakt over wie aanspraak mag maken over een stuk land dan heeft dat vaak niet te doen met de grond als dusdanig maar wel met wat er zich in die grond bevindt en dat was ook zo met Moresnet. Vlakbij Moresnet bevond zich de zinkmijn Vieille Montagne/Altenberg, een van de rijkste mijnen van Europa. Bij menig Antwerpenaar gaat nu wellicht een lampje branden. Vieille Montagne was immers de voorloper van Union Minière en Umicor, een ertsverwerker in Hoboken die in de jaren 80 in opspraak kwam door de loodvergiftigingen in de wijk Moretusburg. De fabrieken van Vieille Montagne in het Kempense Balen waren dan weer het decor voor Groenten uit Balen, het bekende en inmiddels ook verfilmde toneelstuk van Walter Van den Broeck. De zinkmijnen werden dan ook de inzet van een felle discussie. In 1816 werd een compromis gevonden, Moresnet kreeg een autonoom statuut en een langwerpig, driehoekig gebied van 344 ha, tussen het landenpunt van Vaals en de weg van Luik naar Aken, werd als neutraal grondgebied beschouwd. Noch het Koninkrijk der Nederlanden noch Pruisen mochten aanspraak maken op dit stukje land. Neutraal Moresnet werd hierdoor de facto een autonoom gebied alhoewel het nooit als onafhankelijke staat zou erkend worden.

De hoofdstad van Neutraal Moresnet was Kelmis (in het Frans La Calamine). De naam van de gemeente is afgeleid van het Latijns Calamina dat galmei- of zinkerts betekent. De bloeiperiode van Kelmis als industriegebied lag tussen 1820 en 1880, toen men nog niet beschikte over moderne technieken zoals persluchthamers. De ertswinning in de dagbouwgroeve bedroeg in die periode jaarlijks 135.000 ton en er waren circa 1.300 mensen werkzaam. Vanaf 1837 werd circa 1,4 miljoen ton zinkerts gewonnen. Het landschap werd bepaald door de zinkfabriek, de open groeve, de mijngangen waar een treintje zo de bergwand in kon rijden, de kabelbaan, de oefenplaats van de schutterij op de bodem van de ‘Kull’, de evangelische kerk en het kapelletje welke de Vieille Montagne hielp in het goedbedoelde streven om de mijnwerkers uit de ‘Kapellekes’ (Vlaams voor kroegen) te houden, het metalen aquaduct dat Geulwater naar de wasplaats bracht waar vrouwen nog na 1930 aan de lopende band erts wasten en sorteerden, de elektrische centrale, het spoorlijntje en de arbeiderswoningen. Tegenwoordig is het nog moeilijk voor te stellen hoe het er destijds uit zag. Het was een klein Ruhrgebied aan de Geul. Toen België in 1830 afscheurde van het Koninkrijk der Nederlanden en onafhankelijk werd had dit ook gevolgen voor Neutraal Moresnet. Het grondgebied grensde nu grotendeels aan het nieuwe koninkrijk België, in het oosten aan Pruisen en in het noorden met een piepklein puntje aan Nederland. We kennen vandaag nog wel het drielandenpunt in Vaals, maar wie goed oplet zal merken dat dit drielandenpunt aan de Viergrenzenweg ligt. Een historische verwijzing naar het bestaan van Neutraal Moresnet.

Neutraal Moresnet had wellicht ooit de ambitie om op termijn een onafhankelijke vrijstaat te worden naar voorbeeld van Monaco of Vaticaanstad. Ter vergelijking: Neutraal Moresnet was 3,5 km² groot, Monaco telt 2 km² en Vaticaanstad is amper een halve km² groot. Vooral dokter Wilhelm Molly, de bedrijfsarts van Vieille Montagne en ongekroonde koning van Neutraal Moresnet, heeft hier fel voor geijverd. Molly was een felle pleitbezorger van het Esperanto. Het ministaatje Neutraal Moresnet lag op de grens van drie taalgebieden, het Frans aan Belgische zijde, het Nederlands aan de Hollandse zijde en het Duits aan Pruisische zijde. In Moresnet werd Platdiets gesproken, een streektaal (niet te verwarren met het Nederduits) die het midden houdt tussen Duits en Limburgs. Door de nabijheid van Wallonië werd de streektaal ook doorspekt met het Luiks dialect uit het land van Herve, temeer daar vele werknemers van de zinkmijn uit de buurregio’s werden aangetrokken. Molly deed dan ook felle inspanningen om de kunstmatige taal Esperanto tot de standaardtaal van Neutraal Moresnet te maken. Hierdoor wou hij ook een taalstrijd vermijden. Het ministaatje begon ook op andere vlakken een eigen identiteit te ontwikkelen door de uitgave van eigen postzegels en geld en van een eigen vlag en een volkslied. De burgemeester, die ook als staatshoofd fungeerde, kwam hierdoor geregeld in aanvaring met een paar schoonmoeders, met name de bijzondere gouverneurs uit de drie aangrenzende landen die over de neutraliteit van het grondgebied moesten waken.

Ten tijde van de zinkmijn groeide het bevolkingsaantal uit tot 2.500 inwoners, wat quasi evenveel was als een gemiddelde gemeente in de Antwerpse buitenrand destijds. Het interessant fiscaal regime en de afwezigheid van legerdienst was voor vele grensbewoners een argument om hun domicilie in Neutraal Moresnet te vestigen. Door de sluiting van de zinkmijn in 1885 kwam er echter een einde aan de economische bloei van dit ministaatje en de sluiting betekende ook de start van de ontvolking. In het begin van de 20e eeuw ontstonden er terug disputen tussen België en Duitsland om het neutraal gebied aan te hechten en toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak werd Neutraal Moresnet, samen met een groot deel van ons land, bezet door de troepen van de Duitse keizer. Het einde van de Eerste Wereldoorlog betekende ook het definitief einde van Neutraal Moresnet, meer dan 100 jaar nadat het haar statuut van vrijstaat van de internationale gemeenschap had verkregen. Het grondgebied werd in 1919 -toevallig ook het sterfjaar van dr. Molly- door het Verdrag van Versailles, samen met de Oostkantons (Eupen, Sankt-Vith en Malmedy), aan ons land toegewezen. De gemeenten Neu-Moresnet en Hergenrath werden door de fusies van gemeenten in 1977 bij de gemeente Kelmis gevoegd. Kelmis behoort vandaag tot de Duitstalige gemeenschap van Wallonië, als enige Duitstalige gemeente die niet tot de voormalige Duitse kantons behoorde. De droom van dokter Molly om van Neutraal Moresnet het eerste land te maken waar Esperanto de officiële landstaal zou zijn, viel definitief in duigen. Het vierlandenpunt bij Vaals, de enige plaats op de aardbol waar vier landen elkaar raakten, werd terug een -minder uniek- drielandenpunt. Onze vaderlandse geschiedenis heeft hier m.i. een kans gemist. Een ministaat met taalfaciliteiten en een fiscaal paradijs èn een vierlandenpunt. Ze hadden er voor mij gerust een klein prinsdom van mogen maken, een goede taakinvulling voor een werkloze troonpretendent uit Laken. Het kasteel stond er al. Dat had vandaag een toeristische trekpleister van formaat kunnen zijn. We zullen het daar dus nu moeten doen met een geïmmigreerde Nederlander die in het Duits zong, die op zijn moeder riep en die vandaag als een eenzame prins op een wit paard op zijn kasteeldomein woont, want zijn grote jeugdliefde heeft hem vorig jaar, na 35 jaar huwelijk, laten zitten. Het kan verkeren.

Ik sluit af met een Esperanto-wiki. In de ganse wereld is er slechts één internationale (niet-linguïstische) organisatie die haar wapenspreuk in het Esperanto voert, nl. de International Police Association, kortweg I.P.A. Haar devies luidt: Servo per amikeco (in het Nederlands dienen door vriendschap). Ik ben binnenkort 40 jaar trouw lid van deze organisatie waarvan de Belgische tak werd opgericht door een Antwerpse wout, de legendarische Martin Beck. Ik wens alle Vlaamse moeders op hun hoogdag dan ook graag in het Esperanto … Feliĉa patrino tago !


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.