Antwerpse smaken … de lacquemant

Pinksteren, Sinksen zeggen ze in ‘t Stad, komt eraan en in Antwerpen weten ze wat dat betekent … zes weken kermis op de Sinksenfoor. Voor de eerste keer zal deze jaarlijkse grote kermis niet op de Zuiderdokken staan maar op de vroegere rangeerterreinen Spoor Oost. Met uitzondering van een rollercoaster, de ralweej zeggen ze in Antwerpen, hoort daar volgens mij geen enkele kermisattractie thuis. Maar goed, een stelletje nimbies heeft deze verhuis teweeg gebracht. Iedereen benieuwd wat het wordt dus. Zes weken plezier voor groot en klein waarbij ook de innerlijke mens niet vergeten wordt. Wie kermis en innerlijk plezier zegt, die zegt ook ongetwijfeld smoutebollen, een suikerspin of een lacquemant. Vooral over die laatste wil ik het hier hebben.

Er woedt al jaren een discussie tussen de Sinjorenstad Antwerpen en de Vurige Stede Luik over wie zich de ‘hoofdstad’ van de lacquemant mag noemen. Over één punt zijn ze het wel eens, zowel Antwerpen als Luik zijn het exclusieve domein van de lacquemant. Dit wordt ook bevestigd door de foorkramers zelf voor wie het nog steeds een raadsel is waarom de lacquemant op deze twee grote kermissen massaal wordt verkocht en op de andere kermissen nauwelijks aan bod komt. Wat de oorsprong van de lacquemant betreft, daar vinden de terminussen van het Albertkanaal elkaar ook nog. De lacquemant werd anderhalve eeuw geleden gecreëerd door ene Désiré Smidts in de Frans-Vlaamse stad Rijsel. Désiré werkte toen als bakkersgast bij bakker Lacquemant. Op een blauwe maandag kneedde hij een bolletje deeg tot een platte ovale schijf en bakte het in een wafelijzer met kleine raster. Toen het wafeltje klaar was sneed hij het open en vulde het op met een zelfbereide mierzoete ahornstroop met oranjebloesems. Het wafeltje kende snel succes en Désiré gaf het loyaal de naam van zijn werkgever, de lacquemant was geboren. Vanaf dan gaan de twee versies uiteen. Luik claimt de ‘appelation d’origine’ op basis van het feit dat bakkerij Lacquemant later filialen opende in diverse Franse en Waalse steden, waaronder in Luik. Deze filialen hielden zich niet enkel bezig met het verkopen van brood maar had ook een annex-eethuisje waar je terecht kon voor een heerlijke portie oliebollen of een lacquemant. Zo zou de lacquemant de weg naar het grote publiek gevonden hebben. Bovendien, zo poneren ze in Luik, is de Luikse wafel een bekend culinair begrip. Jaja, maar een lacquemant is wel iets anders dan een Luikse wafel.
In Antwerpen houdt men er een andere versie op na. Désiré Smidts is na zijn job als bakkersgast een eigen zaak begonnen, een foorkraam onder de naam Désiré de Lille. Hij toerde met zijn kraam door België en Noord-Frankrijk en schuimde de grote kermissen af. Hij bracht er typische foorlekkernijen zoals smoutebollen, wafels en pannenkoeken aan de man en uiteraard ook de door hem gecreëerde lacquemant. Zijn platte wafel met zoete stroop werd een begrip en ook zijn foorkraam kreeg naam en faam. Zijn kleinzoon Marc Stoffels zet de familietraditie verder maar hield het rondtrekken op de kermissen voor bekeken en startte een sedentaire zaak in de winkelwandelwijk De Wilde Zee in Antwerpen, de stad waar zijn lacquemants en zijn smoutebollen het best verkochten. De waarheid zal, zoals vaak in de volksetymologie, wellicht in het midden liggen. Hoe dan ook vandaag is Désiré de Lille nog steeds een begrip in de koekenstad en zo ook zijn lacquemants.

Ik sluit af met een leuke wiki. Op de Sinksenfoor op de Zuiderdokken stonden verschillende smoutebollenkramen. Désiré de Lille was er één van maar je had ook nog Marcel Delforge, Vincent Delforge, de Boomse frituur, Victor, Rosa, Henri Vandervaeren en Busch-Gillart. Grappig is dat de Waalse smoutebollenkramen aan de kant van de Vlaamse kaai stonden en de Vlaamse aan de kant van de Waalse kaai. In de middenbeuk stonden er geen. Benieuwd hoe ze dit op de nieuwe locatie gaan aanpakken.

Ode aan de liefde

Het is weer zo ver, het Eurovisiesongfestival houdt volgende week weer miljoenen aan de buis gekluisterd. Het is dit jaar een jubileumuitgave, de 60e editie komt eraan. Nee, ik ga het deze keer niet over Abba of Waterloo hebben al wordt er ook daar dit jaar feest gevierd ter gelegenheid van de 200e verjaardag van de Slag bij Waterloo. Of toch één ding. Vaak wordt verondersteld dat Napoleon werd verslagen in Waterloo maar dat is niet juist. Napoleon is in 1815 zelfs nooit tot in Waterloo geraakt. De slag vond plaats in en rond Eigenbrakel, in het gehucht Mont-Saint-Jean, waar vandaag ook de befaamde heuvel met de leeuw als gedenkteken staat. Napoleon zelf sprak niet over de Slag bij Waterloo maar over ‘la bataille de Mont-Saint-Jean’. De naambekendheid van Waterloo is te danken aan de locatie van het hoofdkwartier van Wellington. Goed voor Abba want volgens mij wint ge met de titel Braine l’Alleud nooit een liedjeswedstrijd. Niet dat het Frans geen geschikte taal zou zijn voor een liedjeswedstrijd, integendeel.

De Franse taal heeft het Eurovisiesongfestival zelfs behoorlijk gedomineerd, vooral in de eerste periode. Tussen 1956 en 1986 wonnen er liefst 13 Franstalige liedjes. Maar toen de organisatie besliste dat er niet meer in de eigen landstaal diende gezongen te worden werd Engels de meer gebruikelijke taal. Tussen 1986 en vandaag goed voor 21 overwinningen tegen amper 8 in de dertig jaar ervoor. Ook voor ons land waren de meeste successen bij de Franstalige deelnames te zoeken. Een overwinning in 1986 met Sandra Kim, de enige Belgische overwinning tot nu toe, tweemaal een tweede plaats, tweemaal een vierde plaats en tweemaal een vijfde plaats. Daarmee staan onze Waalse landgenoten veruit vooraan in de communautaire muzikale tweestrijd. Aan Vlaamse zijde zijn de zesde plaats van Tom Dice in 2010 en twee zevende plaatsen van wijlen Louis Neefs, resp. in 1967 en 1969, tot nu toe de hoogste roem die ze in het grootste liedjesfestival van Europa behaalden. Het overschakelen op het Engels was voor ons land trouwens geen goede zaak. Van de veertien keer dat we met een Engels liedje deelnamen bereikten we amper zeven keer de finale en de zesde plaats van Tom Dice was dus eerder een triest hoogtepunt, de overigen haalden, op Dream Express in 1977 na, zelfs de top-10 niet. Niettemin gelden er verzachtende omstandigheden want sinds medio de jaren 70 is de liedjeswedstrijd meer en meer een circustent geworden waarin de acts belangrijker werden en de tekst en de muziek eerder triviaal.
Europa werd niet alleen groter door de jaren heen, ook het begrip Europa werd groter. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië heeft het aantal deelnemende landen fors doen toenemen. Er waren al wel eerder bedenkingen bij het gegeven of Israël wel tot Europa mocht gerekend worden maar dat dit jaar Australië deelneemt aan een Europees liedjesfestival, dat is toch wel vreemd. Volgend jaar voorselecties met Vanuatu of Kiribati? Waarom Sint Helena dan niet? Dat heeft toch ook enige affectie met Europa. Er is dit jaar trouwens ook weer heel wat te doen over de ‘opvallende’ acts. Doventolken die lekker mee swingen of zangers met een verstandelijke beperking. So what? Wij hebben toch ook al Sergio gestuurd. Daarbij, ieder mens heeft een verstandelijke beperking en zij die beweren dat dit niet waar is, bewijzen juist dat ze een verstandelijke beperking hebben. Of zijn we Pas-de-deux met hun Rendez-vous soms al vergeten? Rendez-vous en de maat is vol en mijn kop is toe. Voilà nu heb je de hele tekst gehad. Het enige Europese land dat nog nooit deelnam aan het Eurovisiesongfestival is Vaticaanstad. Nochtans zouden Enigma met Gregorian Chant eind jaren 90 een grote kanshebber geweest zijn. Stel je voor: een jaar later het Eurovisiesongfestival in de Sixtijnse kapel. U hebt het al begrepen, ik heb een lichte heimwee naar de tijd dat het Eurovisiesongfestival nog een echte liedjeswedstrijd was.

Wat was volgens mij de beste Belgische inzending ooit? Zonder enige twijfel, een Franstalige. In 1978 werd Jean Valleé eervol tweede met L’amour ça fait chanter la vie. Een eenvoudige maar briljante ode aan de liefde. Eigenlijk had hij de eerste Belgische winnaar moeten zijn en in feite is hij ook de morele winnaar van het Eurovisiesongfestival 1978 want de eerste plaats ging toen naar Israël en dat land ligt, geografisch gezien, nog steeds niet in Europa. Het was de tweede maal dat Jean Valleé deelnam. Hij vertegenwoordigde ons land ook al eens in 1970 met Viens l’oublier maar eindigde toen pas achtste. Jean Valleé overleed vorig jaar en mag dus deze jubileumuitgave niet meer meemaken. Spijtig genoeg bleef zijn populariteit beperkt tot Franstalige landen maar voor mij blijft hij de beste Belgische inzending tot nu toe, spijts de overwinning van Sandra Kim.


L’amour ça fait chanter la vie – Jean Vallée

‘t Is nu of nooit

Als je aan iemand vraagt om spontaan een bekend Italiaans liedje te zingen dan heb je 75% kans dat die O’ Sole Mio aanheft. Het is dit jaar 150 jaar geleden dat de componist van dit liedje, Eduardo di Capua, geboren werd. Alhoewel het liedje bij iedereen als een ode aan de Italiaanse zon overkomt haalde de tekstschrijver, Giovanni Capurro, zijn inspiratie bij een zonsondergang aan de Zwarte Zee. Hij verbleef toen (in 1898) als journalist in het Russische Odessa van de laatste tsaar Nicolaas II. Maar blijkbaar werd Capurro ook wel geïnspireerd door Anna Maria Vignati-Mazza ofte Nina, de beeldschone vrouw van senator Giorgio Arcoleo. Zoals het vaker gaat verdienden de auteurs amper een cent aan hun creatie. di Capua stierf in 1917 berooid en vergeten.

Eerst even iets rechtzetten. O’ Sole Mio is een Napolitaans liedje en de O’ staat niet voor een uitroep van verwondering maar is het Napolitaanse dialect voor het lidwoord ‘de’ (in het Italiaans: Il). In het Nederlands dient de titel dus te worden vertaald als Mijn zon en niet Oh mijn zon. Al was het liedje in Napels vrij snel populair, het duurde nog wel even vooraleer het algemene bekendheid verwierf. Die bekendheid kwam er door de uitvoering van enkele grote operatenoren. In de eerste plaats van de Napolitaan Enrico Caruso, bijgenaamd the Great Caruso, iets later van de Italo-Amerikaan Mario Lanza en veel later ook van Luciano Pavarotti en Andrea Boccelli. Maar in september 1960 werd het liedje immens populair door de versie van de King of Rock ‘n Roll, Elvis Presley die het in het Engels uitbracht onder de titel It’s now or never. Zijn versie ging miljoenen keren over de toonbank en is nog steeds het best verkochte nummer van de King.

Begin jaren 70 zat ik op het Atheneum in Merksem en onze lerares Frans was een felle liefhebber van de Italiaanse cultuur. Zij gaf buiten de gewone lesuren nog lessen Italiaans, vrijblijvend en gratis voor diegenen die zich geroepen voelden. Als Latinist was ik er als de kippen bij. Om de lessen wat luchtiger te maken zette zij het liedje O’ sole mio op de agenda. Het bleek achteraf niet zo’n goed idee, met vijftienjarige pubers, want het ging er in de klas behoorlijk turbulent aan toe en de vertaling van het Italiaans naar het Nederlands liep niet zoals ze verhoopte. Ik bespaar u de details maar veel Sinjoren herinneren zich nog wel de Antwerpse versie met de verwijzing naar het toen bekende maar inmiddels van de markt verdwenen waspoeder Brio.
Antwerpen en O’ sole mio, het was eigenlijk nooit een goede combinatie. Op de Olympische Spelen van 1920 in Antwerpen moest men het Italiaanse volkslied spelen ter ere van een Olympische kampioen uit het land van pizzas en pastas. De organisatoren konden echter nergens het volkslied vinden en besloten dan maar om voor de kampioen O’ sole mio te spelen. De Italiaanse notabelen waren echter non divertito.

Ik sluit af met mijn favoriete versie van O’ sole mio. Niet gebracht door een operazanger of door de King of Rock ‘n Roll maar door de Amerikaanse country-rock zanger Raul Malo. Van country- en rockmuzikanten wordt weleens gezegd dat het geen echte zangers zijn maar dat ze maar wat vanuit de buik djengelen. Ik wil u bij deze het tegendeel bewijzen. Raul Malo is de zanger van de Texaanse groep The Mavericks, een groep die vooral covers brengt van bekende country- en rockabillynummers. Ze zijn razend populair in de States. Bij ons iets minder, al zal de titel All you ever do is bring me down wel hier en daar een lichtje doen branden. Raul Malo brengt hier een ‘unplugged’-versie van O’ sole mio, eentje om kippenvel van te krijgen.



Antwerpse smaken … de Mokatine

Op het einde van de Lange Leemstraat, bijna aan de spoorweg tussen Antwerpen-Centraal en Berchem vind je een uniek gebouw. Het is de fabriek van de Confiserie Roodthooft. Hier worden de befaamde karamellen Mokatine geproduceerd, in Antwerpen ook bekend als de Arabiertjes. Deze karamellen zijn bij ons een beetje in de vergeethoek geraakt maar ze zijn wel wereldberoemd. Louis Roodthooft begon in 1925 met het vervaardigen van snoepjes. In 1934 creëerde hij een harde mokka-karamel op basis koffiearoma’s. Deze karamellen kenden zo’n succes dat zijn werkplaats te klein werd en hij verhuisde zijn fabriek naar de Lange Leemstraat 374-376 waar voorheen de margarinefabriek ‘Alberts Creameries’ was. Dit gebouw, dat dateert van 1905, werd opgetrokken in Art Nouveau-stijl en komt vandaag voor op de Vlaamse inventaris van Bouwkundig Erfgoed. Al meer dan 80 jaar worden hier Mokatines volgens het origineel recept gemaakt. De fabriek is nog steeds in handen van de nazaten van Louis Roodthooft. Zijn achterneven Jean-Jacques en Patrick Stoops zetten er vandaag de productie en de traditie verder.

De Mokatine of koffiebonbon is in alle opzichten een bijzonder stukje snoepgoed. Niet alleen de smaak, op basis van koffiearoma’s, is bijzonder maar ook de verpakking. Louis Roodthooft haalde het idee van deze verpakking in Italië. Daar was het destijds gebruikelijk om snoepjes te verpakken in een geplooid zakje, de sachetti-verpakking. Louis Roodthooft, die op dat ogenblik in Italië rondtoerde omdat hij de Giro volgde, was gecharmeerd door deze verpakkingsvorm en hij ontwierp een specifieke verpakking voor zijn Mokatines. Een geplooid zakje met daarop het hoofd van een Arabier gekleed in een boernoes, dat bovenaan dichtgedraaid werd zodat het het uitzicht van een tulband kreeg. Het snoepje zelf is een harde karamel op basis van koffie die je vandaag onder de categorie slow food moet rangschikken. Je mag de karamel immers niet kapot bijten, je moet ze langzaam laten smelten. Dat duurt ongeveer zes minuten. Daarmee snoert de maker meteen ook de tegenstanders van snoepgoed de bek want door het feit dat je minutenlang plezier hebt van één snoepje is het caloriegehalte eerder beperkt. In die tijdspanne kan je immers tientallen zachte gommen verorberen of een zak chips en dat zijn dan heel wat meer schadelijke calorietjes.

Zijn de Mokatines bij ons vandaag niet meer in, het is een ander verhaal voor de rest van de wereld. In Japan zijn ze echt ‘hot’ en ook in Amerika zijn ze de markt aan het veroveren. Al moet er voor die gekke Yankees op elke verpakking wel een expliciete boodschap staan dat je er niet in mag bijten. Ze kennen daar geen blijkbaar geen harde snoepjes en de producenten vermijden liever rechtszaken van gedupeerde consumenten met kapotte tanden. Er rollen in de Lange Leemstraat jaarlijks 500 ton of tachtig miljoen snoepjes buiten. De Mokatine staat daarmee in de top-5 van de wereld van de bestverkochte harde snoepjes, goed voor een marktaandeel van 34%. Toegegeven, de concurrentie is redelijk schaars maar we mogen als Sinjoren toch best fier zijn op dit authentiek familiebedrijf, een van de weinigen dat nog in Antwerpse handen is gebleven.


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.


De godin van de autowereld

Velen zijn het misschien al lang vergeten maar de duurste en meest luxueuze automobiel ooit werd gebouwd … in Antwerpen. Dan mag Rolls-Royce vandaag misschien het meest exclusieve automerk zijn, de Antwerpse Minerva was dit bijna een eeuw geleden.

Het was de Nederlander Sylvain de Jong die in 1897 in Antwerpen een fietsenfabriek begon onder de merknaam Minerva, de Romeinse godin van de wijsheid en de kunsten. Het bedrijf was in de Karel Oomsstraat gevestigd en produceerde 200 fietsen per week. In 1900 begon Minerva ook motorfietsen te maken. Na een moeilijke start begon de verkoop behoorlijk te verlopen en werd er zelfs een werkplaats in London geopend. Niemand minder dan luchtvaartpionier Jan Olieslagers, de Antwerpse duivel, was in zijn jonge jaren nog werknemer bij Minerva. Vanaf 1904 begon Minerva ook auto’s te bouwen. Minerva werd wereldberoemd voor zijn snelle, luxueuze, goed afgewerkte en op maat gemaakte auto’s. Niet alleen ons Belgisch koningshuis, ook dat van Roemenië, Thailand en India reden rond in een Minerva net als tal van mensen van adel, filmsterren en grote bedrijfsleiders. De Minerva was het paradepaardje van de elite. Zelfs de grote baas van het Amerikaans Ford-imperium, Henry Ford reed rond in een Minerva.In 1911 was Minerva de grootste fabriek van het land met 1.600 werknemers.
De jaren 20 waren de gouden jaren voor Minerva. Vanaf 1922 werden de super-de-luxe Minerva-auto’s uitgerust met een ornament op de radiator, het hoofd van de godin Minerva, ontworpen door Pierre De Soete. Rolls-Royce zou dit idee later kopiëren met haar Spirit of Ecstacy-beeldje. Op de top van haar roem telde het bedrijf 6.500 werknemers in haar fabrieken aan de Karel Oomsstraat (Biartstraat) in Antwerpen en aan de Vredebaan in Mortsel. De beurscrash van 1929 werd het Antwerps auto-icoon fataal. Haar stichter Sylvain de Jong was een jaar daarvoor gestorven en de economische crisis deed de vraag naar luxeauto’s sterk dalen. In 1934 fuseerde het bedrijf met een ander Belgisch automerk Imperia maar kort daarna ging de fabriek failliet.

De Minerva-fabriek aan de Karel Oomsstraat in Antwerpen werd later een bekende Peugeot-garage en werd vandaag omgebouwd tot een filiaal van de Nederlandse supermarkt Albert Heijn. De Minerva-fabriek in Mortsel was tijdens de Tweede Wereldoorlog het onderwerp van de donkerste bladzijde in de geschiedenis van Mortsel. De Duitse bezetter had de installaties van de vroegere Minerva-fabriek aangeslagen en produceerde er vliegtuigonderdelen voor de Messerschmitt Bf 109 van haar Luftwaffe, in wat zij het ‘Frontreparaturbetrieb Erla VII’ noemden, in de volksmond ‘den Erla‘. Op 5 april 1943 wilden de geallieerden deze fabriek bombarderen maar het ganse eskader bommenwerpers week bijna een kilometer van haar koers af en miste haar doel. Van de 800 bommen troffen er amper 4 de fabriek, de overige kwamen terecht op de woonwijken van Mortsel. Gevolg: 936 dodelijke slachtoffers, allemaal burgers waarvan 209 kinderen, 1.350 gewonden en enorme materiële schade. Meer dan 1.200 huizen werden zwaar beschadigd of vernield. Het was de zwaarste luchtaanval in ons land tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Minervastraat in Mortsel/Edegem en de Vijf-aprilwarande in Mortsel (beiden gelegen in de wijk achter de voormalige fabriek) zijn stille getuigen van de aanwezigheid van de Minerva-fabriek in Mortsel, vandaag een site van een Duitse onderneming die een ander Antwerps industrieel icoon opslokte: Agfa-Gevaert.

Na de oorlog werd de Nieuwe Maatschappij Minerva N.V. opgericht die een licentie van Land Rover bezat om terreinwagens te bouwen voor het Belgisch Leger. Menig Belgisch militair, hier of bij de B.S.D., heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw dan ook nog rondgetoerd in zo’n Minerva Jeep. Een goede en degelijke alleterreinwagen maar hij had geen smet van de super-de-luxe auto’s waarmee Minerva wereldroem vergaarde. Er zijn vandaag nog een 150-tal originele Minerva luxeauto’s en een 300-tal 4×4-exemplaren te vinden bij particuliere verzamelaars, al zullen die kostbare relikwieën eerder zelden uit hun garages komen. Het enige originele exemplaar dat nog door het publiek te bewonderen valt staat in het Museum Aan de Stroom. Het enige restant van een zo roemrijk Antwerps automerk.

Goden en godinnen zijn onsterfelijk, zo ook Minerva. Misschien rijdt er binnenkort wel weer terug een Minerva door de Antwerpse straten. Het Britse JM Brabazon, (klik op de link) dat de rechten op de merknaam Minerva bezit, heeft grootse plannen om opnieuw een Minerva op de markt te brengen. Geen 4×4, geen super-de-luxe sedan maar een supersnelle sportbolide. Of die plannen ooit werkelijkheid worden, dan wel berusten op mythomane of megalomane hersenspinsels van een rijke Britse aristocraat, is nog zeer de vraag. Ik blijf voorlopig mijmeren bij het bewonderen van het historisch -puur Antwerps- exemplaar uit de gloriejaren van de Charleston, in het MAS.



Houston, we’ve had a problem

Bent u een treskaidekafoob? Een wat? Iemand die als de dood is voor het getal 13.
Ik niet want 13 is voor mij een heilig getal.
Voetbal Beerschotters weten waarom Knipogende emoticon

Waarom is 13 eigenlijk een ongeluksgetal? Het woord ongeluksgetal bestaat trouwens uit dertien letters. De eerste verklaring voor ongeluksgetal 13 vinden we in de bijbel. Het getal twaalf was door God persoonlijk goedgekeurd, al ligt het bewijs daarvan niet voor het grijpen. Er waren twaalf apostelen en er waren ook twaalf stammen in Israël. Aan het laatste avondmaal zaten er dertien mannen aan tafel, Jezus en zijn twaalf apostelen, en niet veel later werd Jezus verraden. Maar er is ook een verklaring in de Middeleeuwen te vinden. Op vrijdag de dertiende in 1307 werden alle Tempeliers opgepakt. En in een Noorse sage verschijnt de duivelse god Loki als dertiende gast op een feest en dompelt de aarde in rouw. Voorts is er ook nog een wiskundige verklaring. Het getal wat voor 13 komt is het getal 12, dat deelbaar is door 1,2,3,4 en 6. Dertien daarentegen is een priemgetal en dus alleen deelbaar door zichzelf of door 1.

Maar voor het echte bewijs dat 13 een ongeluksgetal is moeten we niet zo ver terug gaan in de tijd en liggen de bewijzen overigens voor het rapen. Exact 45 jaar geleden, op 11 april 1970 om 13u13 (lokale tijd), vond de lancering plaats van de Apollo 13, een Saturnusraket met de maanlander Aquarius en met als bemanning: Jim Lovell (commandant), Jack  Swiggert (piloot van de commandomodule) en Fred Haise (piloot van de maanlander). Zij vertrokken voor hun missie, een derde landing op de maan. Op 13 april ontplofte een zuurstoftank en sprak commandant Jim Lovell de historische woorden: Houston, we’ve had a problem. Al gaf hij even de indruk dat het probleem van de baan was, was dit helemaal niet het geval. Integendeel, ze zaten behoorlijk in nesten. Door de ontplofte zuurstoftank en de schade die de ontploffing had aangericht was de ganse zuurstofvoorraad in korte tijd verloren gegaan. Daardoor hadden zij ook geen water en energie meer en ook de raketmotor kon niet meer gebruikt worden. Dit halverwege tussen aarde en maan, niet direct een ideale locatie om Touring Wegenhulp erbij te roepen. Gelukkig voor hen was de maanlander nog intact en kon deze enkele essentiële taken overnemen. Een maanlanding was geen optie meer en de ingenieurs van de NASA werkten zich de naad uit de broek om een oplossing te vinden. Veel tijd was daar niet voor. Uit deze periode danken we de populariteit van het begrip ‘out the box’ denken. De grote baas van de NASA verzamelde een team ingenieurs, sloot hen op in een kamer, gooide een doos onderdelen zoals die aan boord van het ruimteschip voorhanden waren op tafel, waarmee de vernuftelingen in een mum van tijd geïmproviseerde vervangstukken moesten maken. De uitdrukking ‘out the box’ denken wordt vandaag te pas en te onpas gebruikt op beleidsvergaderingen maar vaak wordt verkeerdelijk gesproken over ‘out of the box’ denken. Fout dus. Even fout is ook het vaak verkeerd gebruikte citaat van Jim Lovell ’Houston, we have a problem’. Lovell sprak in de voltooid verleden tijd en niet in de tegenwoordige tijd.

De ingenieurs van NASA hebben puik werk geleverd en de bemanning van Apollo 13 heeft een huzarenstuk afgeleverd door een quasi onbestuurbaar ruimtetuig toch nog veilig terug naar de aarde te loodsen. Op 17 april 1970 kwam er een einde aan de horrorreis van Apollo 13. Twintig jaar geleden werd een film gemaakt over de rampvlucht van Apollo 13 met Tom Hanks in de hoofdrol. Dat het uitgerekend de Amerikanen waren die met het ongeluksgetal 13 werden geconfronteerd is niet zo toevallig. Het getal 13 komt heel veel voor op het Grote Zegel van de Verenigde Staten. Hier staan 13 sterren op en 13 letters in het motto eronder, 13 (rode en witte) strepen, een adelaar met 13 pijlen in zijn ene klauw en een lauriertak met 13 blaadjes en 13 bessen in zijn andere klauw. Dit is ‘The coat of arms of the United States of America’. Tel de letters: het zijn er 39, oftewel driemaal 13. Dat maakt het wapenschild waarschijnlijk het meest bijgelovige heraldische teken ter wereld.


Generalissimo Chiang

De rang van generalissimo is de hoogst mogelijke militaire rang. Een generalissimo staat aan het hoofd van het volledige leger van een land, en is niet zelden ook het staatshoofd. De term heeft vaak meer een politieke dan een militaire betekenis; doorgaans zijn generalissimi heersers of militaire dictators die zichzelf die titel toekennen. De term heeft in West-Europa tegenwoordig dan ook een negatieve connotatie.

cksVeertig jaar geleden overleed de toenmalige nationalistische leider Chiang Kai-Shek. Chiang Kai-Shek stond mee aan de wieg van de Republiek China die in 1911, na de Xinhai-revolutie, de laatste keizer Pu-Yi aan de dijk zette. Hij was een trouwe acoliet van dr. Sun Yat-sen, de vader van deze revolutie en die door alle Chinezen, zowel in de Volksrepubliek als in Taiwan, aanzien als de vader van de moderne republiek. De prille republiek werd echter onmiddellijk geconfronteerd met interne oorlogen en revoluties. Toen Chiang Kai-Shek, na de dood van Sun Yat-sen in 1925, meer en meer de macht nam, werd hij uiteindelijk alleenheerser en militair dictator van de Republiek China. Hij was toen de machtigste man van het grote Rijk in het Midden, het derde grootste land van de wereld. Chiang besteedde echter meer aandacht aan de interne machtsstrijd met de communisten dan aan de externe dreiging van het fascistische regime in Japan. Pas toen de Japanners in 1937 China binnenvielen kwam hij tot besef dat hij samen met de communisten van Mao Zedong de Japanse belager diende te bestrijden. Toen was het al lang te laat en China viel ten prooi aan een bloeddorstige bezetter. In 1943, in volle wereldoorlog, werd Chiang Kai-Shek president van China. Hij werd een bondgenoot van de Amerikanen in de strijd tegen Japan. Na het beëindigen van de oorlog vielen beiden kampen in China elkaar weer aan en brak een nieuwe burgeroorlog uit. Chiang Kai-Shek moest in 1948 de duimen leggen voor de communisten door een tactische flater van zijn Amerikaanse bondgenoot Generaal Marshall. Die legde het Kwomintang-leger van Chiang Kai-Shek een eenzijdige wapenstilstand van vier maanden op. Tijdens die wapenstilstand zagen de communisten de kans om door hun bondgenoot, de Sovjet-leider Stalin, voorzien te worden van zware wapens en vliegtuigen. Daardoor leden de nationalisten enorme nederlagen tegen Mao’s volksleger en wisten de communisten de bovenhand te behalen.

Chiang Kai-Shek vluchtte in 1949 met zijn aanhangers naar het eiland Taiwan. Taiwan was sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog een deel van China, nadat het daarvoor gedurende vijftig jaar een Japanse provincie was. Chiang Kai-Shek kwam dus op een eiland aan dat nog maar enkele jaren terug deel uitmaakte van zijn Chinese rijk. Zijn vrijwillig ballingschap, gevolgd door meer dan twee miljoen aanhangers uit het grote rijk, werd dan ook niet feestelijk onthaald. De Taiwanezen claimden eigenlijk al onafhankelijkheid sinds 1895 en zagen die wens aan diggelen geslagen door de ‘inval’ van Chiang Kai-Shek en zijn volgelingen. De internationale gemeenschap bleef het nationalistisch regime van Chiang Kai-Shek en zijn Kwomintang erkennen als de legitieme leiders van de Republiek China. Met de hulp van de Amerikanen kon Chiang Kai-Shek zich goed handhaven in Taiwan. Hij had het daar echter niet onder de markt en had een Krijgswet nodig om de zware oppositie tegen zijn regime in Taiwan de kop in te drukken. Gedurende al die tijd bleef hij een militaire macht uitbouwen in de hoop de strijd met de communisten terug aan te kunnen gaan en het vasteland China terug te kunnen veroveren. In 1971 kwam de eerste kentering maar wel een in zijn nadeel. De Verenigde Naties erkenden de Volksrepubliek China van Mao Zedong als legitieme vertegenwoordiger van China. De droom van generalissimo Chiang leek verder weg dan ooit. Chiang overleed in Taipei op 5 april 1975 zonder nog een voet op bodem van zijn vaderland te hebben kunnen zetten. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Chiang Ching-kuo. Die zette aanvankelijk het militaristisch georiënteerde beleid van zijn vader voort. De sinificatiepolitiek van de Kwomintang op Taiwan begon meer en meer internationale afkeuring te krijgen. De krijgswet had vele politieke tegenstanders in de gevangenis doen belanden en de onderdrukking van de Aboriginals (van Polynesische afkomst) was ook de Amerikanen een doorn in het oog geworden. Toen ook de V.S. de kaart van de Volksrepubliek trok raakte Taiwan in een diplomatiek isolement, een situatie die vandaag nog steeds aanhoudt.

Eind jaren 80 werd de krijgswet opgeheven en sloeg Taiwan de democratische weg op. Een parlementaire democratie met een verkozen staatshoofd, het was niet bepaald de stijl van haar grote leider die zelfs vandaag, veertig jaar na zijn overlijden, nog door een groot deel van de Chinezen in Taiwan erg geprezen wordt. Als ik de historiek van Chiang Kai-Shek bekijk dan heb ik hier toch gemengde gevoelens bij en denk ik ongewild aan het rijtje van generalissimi a là Stalin, Kim Il-Sung of andere Franco’s. Niettemin is onder Chiang’s regeerperiode Taiwan wel uitgegroeid tot een sterke economische grootmacht (vandaar zijn geuzennaam Cash My Cheque) en staat het Kwomintangbeleid vandaag voor welvaart en stabiliteit en daarin verschilt het dan wel heel veel van andere staten die een generalissimo aan het hoofd hebben of hadden. Ik zeg dit dan ook met enig respect voor dit eiland want ook mijn vrouw stamt af van een Kwomintang-soldaat en ik steek mijn liefde voor Taiwan ook nooit onder stoelen of banken.

Chiang Kai-Shek werd niet begraven in Taiwan maar wordt in het Cihu mausoleum bewaard in een sarcofaag, in afwachting dat hij zijn laatste rustplaats kan vinden in zijn geboortestad op het vasteland. Of het ooit weer tot een unie met het grote China komt is zeer de vraag. De communisten in de Volksrepubliek en de aanhangers van de Kwomintang in Taiwan zien een politiek van ‘één land, twee systemen’ in een ‘één en ondeelbaar China’, zoals in Hongkong en Macau vandaag het geval is, wel zitten maar een groot deel van de Taiwanese bevolking blijft ijveren voor onafhankelijkheid. Het water is nog veel te diep en de studentenopstand in Hongkong vorig jaar heeft de zaak niet gediend. Het testament van Chiang Kai-Shek ligt ondertussen al veertig jaar te wachten op een ‘executor’.

Antwerpse smaken … paaseieren

Zondag is het Pasen en dan zal er weer in menige tuin naarstig gezocht worden naar chocolade eitjes die de paasklokken er hebben gedropt. Of zijn ze er door de paashaas gelegd ? Pasen is de belangrijkste christelijke feestdag. In de katholieke landen spreekt men dan van de paasklokken die op Witte Donderdag naar Rome vertrokken om eieren te gaan laden en deze dan tijdens de paasnacht in de tuin of op het balkon dropten. In de protestante landen worden deze paaseieren door de paashaas gebracht. Aanvankelijk waren het gewone (kippen)eieren die versierd werden maar in het begin van de 20e eeuw raakten de chocolade-eieren in de mode. Antwerpen heeft hier een belangrijke rol in gespeeld.Alfred MARTOUGIN In 1907 startte Alfred Martougin op de hoek van de Schapenstraat en de Helmstraat in Borgerhout een chocoladefabriek. De Chocolaterie Modèle Martougin fabriceerde daar de vermaarde Martougin-chocolade. In 1920 was de fabriek al viermaal zo groot. Martougin-chocolade was een wereldmerk en de repen met namen als Minerva, Jemma en Galba waren decennialang de meest geliefde chocolade in Antwerpen. Maar het meest bekende product van Martougin was zonder meer de BLOC-chocolade. Deze grote blokken chocolade was de basisgrondstof voor vele chocolatiers en banketbakkers. Tonnen BLOC-chocolade werden vergoten tot paaseieren in alle maten, in drie smaken: witte chocolade, pure of fondantchocolade en melkchocolade. De Martougin producten waren wereldwijd geliefd. Martougin-chocolade kreeg diverse onderscheidingen op acht wereldtentoonstellingen tussen 1910 en 1939. Dan mogen we niet vergeten dat ons land nog tal van andere grote chocoladefabrikanten kende zoals Kwatta (weliswaar met Hollandse roots), Cote d’Or, Jacques, Meurisse, Victoria, Callebaut en ook Parein en De Beukelaer alhoewel die laatste twee eerder aan koekjes gekoppeld worden. Meer dan de helft van deze fabrikanten waren in het Antwerpse gevestigd.

Alfred Martougin (1875-1952) was niet alleen een succesvol ondernemer, hij had ook een groot sporthart, vooral in de wielerwereld. Hij was voorzitter van de Antwerpse afdeling van de Belgische Wielrijdersbond en in die hoedanigheid zorgde hij voor een grote inbreng in het wielrennen op de Olympische Spelen van Antwerpen in 1920. Later werd hij ook ere-voorzitter van het Antwerpse Sportpaleis. Zijn overlijden luidde de zwanenzang in van het merk Martougin. In december 1966 werd de fabriek in Borgerhout gesloten en kwam het bedrijf in handen van het Nederlandse Van Houten. Zelfs de merknaam verdween. De naam Martougin blijft vandaag nog wel leven bij de verzamelaars. Martougin bracht immers niet alleen chocolade op de markt maar ook chromo’s. Die legendarische chromo’s dienden om de verkoop te stimuleren maar werden door de jaren een waar collectors item.

Tussen 1967 en 2001 werden de gebouwen van de Martougin-fabriek in Borgerhout gebruikt door de oliemaatschappij Castrol en sinds 2007, exact honderd jaar nadat Martougin er zijn eerste chocolade fabriceerde, is de voormalige fabriek omgebouwd tot luxueuze lofts. Mijn vriend Roald heeft er een optrekje en alhoewel er hier en daar nog dingen zijn die aan de voormalige chocoladefabriek herinneren, is de reuk van chocolade wel ver weg. Maar bij elk chocolade paasei dat ik verorber denk ik nog ongewild aan die merknaam van weleer: Martougin, een puur Antwerps product. Puur, zoals ik mijn chocolade het liefst lust.

Konijntje Zalig Paasfeest ! Konijntje


Deze slideshow heeft JavaScript nodig.


De selfies van Rubens

Vandaag start het Rubenshuis aan de Wapper met een indrukwekkende tentoonstelling: Rubens privé. Voor het eerst sinds eeuwen keren tal van portretten naar het huis van de meester terug. Een tentoonstelling van familieportretten en zelfportretten van Peter Paul Rubens, samengesteld door Rubensspecialisten van over de hele wereld. Je krijgt dan ook een unieke gelegenheid om een vijftigtal schilderijen en tekeningen te bewonderen uit topmusea waaronder de Uffizi in Firenze, het Louvre in Parijs, het British Museum in Londen, de Hermitage in Sint-Petersburg en uit tal van privé collecties. Het thema is actueler dan ooit: Peter Paul portretteert zichzelf en zijn familie op canvas. Met de digitale technieken van vandaag noemen we dit: selfies op Facebook.

Toen ik enige tijd geleden voor het eerst over deze tentoonstelling hoorde, dacht ik bij mezelf: Oh neen, niet opnieuw! Ik vreesde voor een ‘renaissance’ van de Rubenshype van 1977. Toen was het, naar aanleiding van de 400e verjaardag van de grootmeester, alles Rubens wat de klok sloeg in Antwerpen. Rubenskaas, Rubenskoeken, Rubensbier, Rubensboeken, Rubensvlaaien, Rubensworst, Rubenswijn, Rubensmarkten … het kwam er langs je oren uit. En als toemaatje: een editie van het legendarische spelprogramma Spel zonder grenzen op de Grote Markt in Antwerpen. Maar ik moet eigenlijk wel toegeven dat ik deze tentoonstelling best wel sexy vind. Ik gebruik opzettelijk het woord sexy omdat er, in de rand van de tentoonstelling, ook heel wat aandacht besteed wordt aan het privéleven van Rubens. Dag Allemaal of Story zouden hier vandaag een vette kluif aan hebben. Zijn beeltenissen van flink uit de kluiten gewassen bijna naakte vrouwen zijn ons meer dan bekend maar hoe zou hij door de paparazzi van vandaag belaagd worden tijdens zijn huwelijk met Helena Fourment. Rubens huwde in 1630 met zijn tweede vrouw. Peter Paul was toen 53, Helena 16. Helena was de dochter van een tapijtenhandelaar en niet van adel. Een opluchting voor Rubens. In een brief schreef hij dat hij niet hield van adellijke vrouwen. Ze hadden te veel kapsones. Hij wou een vrouw die niet bloosde als hij zijn penselen vastnam. Wat hij dan wel onder ‘zijn penseel’ verstond is niet echt duidelijk. Vandaag zou hij daar niet mee wegkomen en riskeert hij de bijnaam Pedo Paul Rubens te krijgen. Dat is er natuurlijk flink over want Rubens trouwde zijn Helena uit liefde en 16 jaar was in die tijd een gebruikelijke leeftijd voor een vrouw om te huwen. Rubens overleed tien jaar later. In die periode verwekte hij vijf kinderen bij zijn jonge deerne. Helena Fourment werd dus in 1640 een weduwe van 26 jaar met vijf kinderen. Nu ja, er was in hun tijd dan ook geen Paus die opriep om niet te kweken als konijnen. Bovendien was Rubens toen een B.V. avant-la-lettre en dan kan je je al iets meer permitteren. Wat zou het leuk geweest zijn als er in de tijd van Rubens al televisie zou bestaan hebben. Peter Paul en zijn Helena in The sky is the limit.
Wat te denken van dit smeuïge verhaal. Peter Paul Rubens was ei-zo-na zelfs nooit geboren geweest. Zijn vader werd in Duitsland in de gevangenis gesmeten omdat hij een kind had verwekt in een buitenechtelijke relatie. Vader Jan Rubens bezwangerde niemand minder dan Anna van Saksen, de vrouw van Willem van Oranje. Dat vader Rubens aan de doodstraf ontsnapte, het gangbare tarief voor overspel in de 16e eeuw, is te danken aan de tussenkomst van zijn vrouw Maria Pypelinckx (what’s in a name). Vader Rubens kwam weg met twee jaar cel en werd verbannen naar het Duitse Siegen, een stad in Nordrhein-Westfalen die nog bij menige gewezen BSD-er goed gekend is. Hij besloot dan maar om voortaan enkel bij zijn Marie zijn gangen te gaan. Peter Paul is er het resultaat van en zo weet je meteen waarom hij in het Heilig Roomse Rijk geboren werd en niet in de Spaanse Nederlanden.
Isabella Brant, de eerste echtgenote van Rubens, was de oudste dochter van Claire de Moy. Claire’s zuster, Marie de Moy, was dan weer de vrouw van Philips, de broer van Peter Paul. Isabella moest dus tante zeggen tegen haar schoonzus. Clara Brant, Isabella’s jongere zus, trouwde op haar beurt met Daniël II Fourment, de oudere broer van Helena, Rubens’ tweede echtgenote.

Rubens was in zijn tijd dus pure Rock ‘n Roll. Het kwadraat van Jerry Lee Lewis en Ozzy Osbourne samen. Ik stel het allemaal wat karikaturaal voor maar redenen genoeg dus om deze unieke tentoonstelling van ons Antwerps icoon te gaan bezoeken. Je hebt er nog tot 28 juni de tijd voor. Vergeet dus de Pfaffs en de Planckaerts, hier zijn… de Rubensen!


rubensprive


Cherio! Cherio! … W’ebbe aindellek ne Prémetro!

Op 25 maart 1975 werd het eerste stuk van de Antwerpse Premetro geopend. Maar veel reden om dit te vieren en is er vandaag nog steeds niet. De bouw van de Antwerpse Premetro startte vijf jaar ervoor, op 15 januari 1970. Voor de bouw van dit eerste zeer bescheiden stukje metro moest de binnenstad zowaar een openhartoperatie ondergaan. Vanop het Koningin Astridplein, via de De Keyserlei en de Meir tot op de Groenplaats was de stad gedurende vijf lange jaren één grote opengereten bouwput. De stad kreunde onder deze ingreep en het resultaat was pover. Amper drie metrostations werden afgewerkt en dan was het zelfs nog geen volwaardige metrolijn. De Premetro was niet meer dan het gewone tramverkeer dat in een mollenpijp van het Centraal Station naar de Groenplaats gleed. Vijf jaar later werd dit deel verlengd tot aan de Belgiëlei. Er werden tijdens die grote werken begin jaren 70 wel veel meer metropijpen aangelegd maar die bleven decennia lang ongebruikt. Er werd in de jaren 80 prioriteit gegeven aan de Brabotunnel, een tramtunnelverbinding met Linkeroever. Groot verschil met de vorige werken was wel dat men niet langer open gapende bouwputten dienden te maken maar dat de metropijpen met een grote boor ondergronds konden worden aangelegd. De verbinding naar Linkeroever werd in 1990 in gebruik genomen en betekende een doorbraak voor de Antwerpse Premetro. Het succes van de Premetro kende nog een tweede elan in 1996 toen de tunnel richting Sportpaleis werd afgewerkt. Na de eeuwwisseling werd het traject van lijn 3 tweemaal verlengd. Aan de kant van Merksem, waar de tram tot bijna aan de grens met Schoten en Brasschaat werd doorgetrokken en op de Linkeroever waar hij via Zwijndrecht tot aan de grens met Beveren in Melsele werd doorgetrokken.

De jongste tien jaar werd het tramnetwerk behoorlijk hertekend en resulteerde het Masterplan in de ene tramverlenging na de andere. Tot in Wijnegem en tot in Boechout en binnenkort ook nog tot in Wommelgem. Hiervoor wordt de Reuzenpijp in gebruik genomen. Deze pijp, die onder de Turnhoutsebaan via Borgerhout naar de Herentalsebaan in Deurne loopt,  ligt al meer dan dertig jaar klaar onder de grond maar wordt nu pas geëxploiteerd. Er ligt ook al meer dan dertig jaar een andere metropijp te wachten op afwerking, op het traject onder het kruispunt van de De Keyserlei en de Frankrijklei, een pijp die in noordelijk richting (Italiëlei-Noorderplaats) loopt. Die afwerking komt voor op het Brabo II-plan maar mogelijk blijft de tram hier bovengronds en zal de pijp gebruikt worden als autotunnel. Vanaf 18 april zal de nieuwe tramlijn 8 dus via de Reuzenpijp tot aan het rondpunt van Wommelgem sporen maar het zal nog tot 2020 wachten zijn eer de stations Carnot, Drink en Foorplein afgewerkt zullen zijn. We zijn dan niet minder dan 50 jaar nadat de eerste spade in de grond gestoken werd. Erg enthousiast kunnen we dan ook niet zijn over een halve eeuw Premetro-geschiedenis. Nog geen 30 km ondergrondse lijnen in een stadsregio van bijna een miljoen inwoners en dan nog steeds bediend door een gewone tram en geen volwaardige metrotrein. De Antwerpse Strangers hadden er in 1975 al hun idee over.



Enfin, beter iets dan niets en als trouwe TTB-er kan ik alleen maar hopen dat men verder gaat op het huidige expansietraject. Van 11 tot 16 april a.s. kan u, ter gelegenheid van de opening van de Reuzenpijp, een twee kilometer lange wandeling maken door dit bouwwerk. Vanaf 18 april zal er -eindelijk- een tram rijden door deze decennialang ongebruikte metropijp. Voor meer informatie en aankoop van tickets kan u terecht op deze webpagina van De Lijn.